Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.4.5.4:2.4.5.4 Gratie, executieverjaring en herziening
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.4.5.4
2.4.5.4 Gratie, executieverjaring en herziening
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859244:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover nader par. 2.2.3.3 en 2.3.4.4.
Stein/Rueb, Gras, Hendrikse & Jongbloed 2021, p. 426.
Jongbloed, in: Sdu Commentaar Burgerlijk procesrecht, art. 438, nr. C2 (online, publicatiedatum 25 juli 2023) en Stein/Rueb, Gras, Hendrikse & Jongbloed 2021, p. 426.
Vgl. Stein/Rueb, Gras, Hendrikse & Jongbloed 2021, p. 427.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Indien de lasterlijke beschuldiging is vastgesteld door de strafrechter geldt – gelijk als bij artikel 4:3 lid 1 sub a en b BW – dat gratieverlening en executieverjaring de onwaardigheid niet opheffen. In beide gevallen blijft de veroordeling in stand. Herziening ten voordele kan de onwaardigheid wel opheffen.1
Gratieverlening is enkel mogelijk in het strafrecht. Is de lasterlijke beschuldiging vastgesteld door de civiele rechter, dan komt gratieverlening dus niet in beeld. Executieverjaring is daarentegen ook in het civiele recht een mogelijkheid (art. 3:324 en 3:325 BW). Evenals in het strafrecht tast de executieverjaring de uitspraak niet aan. Dat de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van de uitspraak is verjaard, heeft derhalve geen gevolgen voor de onwaardigheid. Is sprake van vervolgingsverjaring dan kan de strafrechtelijke route niet meer bewandeld worden. Indien civielrechtelijk nog geen sprake is van verjaring, kan via deze weg onwaardigheid worden bereikt. Als artikel 4:3 lid 1 BW gewijzigd wordt naar een gedeeltelijk open norm, dan kan de rechter – indien de feiten en omstandigheden daar aanleiding toe geven – zich altijd nog daarop verlaten als een rechterlijke uitspraak door verjaring niet meer mogelijk is gebleken.
Het civiele recht kent voorts de mogelijkheid van een executiegeschil (art. 438 Rv). Via deze procedure kan worden bewerkstelligd dat de tenuitvoerlegging van de uitspraak niet mag worden aangevangen of voltooid.2 De speelruimte in een executiegeschil is klein. Het overdoen van het inhoudelijke debat is niet aan de orde.3 In beginsel kan daarom gezegd worden dat het verbod tot (verdere) tenuitvoerlegging geen gevolgen heeft voor onwaardigheid. Dit is slechts anders als uit de uitspraak blijkt dat het verbod is gegeven, omdat de te executeren uitspraak op een klaarblijkelijke juridische of feitelijke misslag berust en wel zodanig dat niet langer gezegd kan worden dat aan de voorwaarden van artikel 4:3 lid 1 sub c BW wordt voldaan.4 In dat geval komt onwaardigheid te vervallen. Dit zal slechts zelden tot nooit het geval zijn.