Vormfouten
Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/4.2.1.4:4.2.1.4 Beginselen van een behoorlijke procesorde
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/4.2.1.4
4.2.1.4 Beginselen van een behoorlijke procesorde
Documentgegevens:
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS620285:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Schalken in zijn noot onder HR 5 december 1989, NJ 1990/719.
Gedeelten van de hiernavolgende tekst zijn eerder gepubliceerd in Corstens & Kuiper 2013c.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bijzonder wat betreft de ruimte voor rechterlijke interpretatie zijn de regels die voortvloeien uit beginselen van een behoorlijke procesorde. De rechter stelt daarbij zelfstandig zowel de inhoud van de regel vast als het rechtsgevolg van schending van die regel. Naarmate meer wettelijk is gereguleerd en aan de bepalingen in het EVRM een ruimere interpretatie wordt gegeven, neemt de noodzaak een beroep te doen op beginselen van een behoorlijke procesorde af. Deze beginselen, die vooral ook van betekenis waren bij de toetsing van de vervolgingsbeslissing, hebben een complementaire functie ten opzichte van het EVRM en de wet.1 Dit verklaart waarom tegenwoordig – nu het voorbereidend onderzoek veel meer wettelijk is geregeld, de reikwijdte van het EVRM is vergroot en vooral ook de vervolgingsbeslissing met de vele bestaande vervolgingsrichtlijnen veel sterker is gereguleerd – niet vaak meer een (zelfstandig) beroep wordt gedaan op deze beginselen.
Afhankelijk van de ruimte voor interpretatie die de betrokken (soort) norm kenmerkt, is die interpretatie door de rechter van meer of minder invloed op de praktijk van het voorbereidend onderzoek. In het licht van de hiervoor aangestipte keuzemogelijkheden en de aan de context van het reageren op vormfouten eigen dynamiek, spreekt vanzelf dat de manier waarop de rechterlijke interpretatie van geschreven en ongeschreven regels van strafvordering vorm krijgt, in de tijd en afhankelijk van het door de regel beschermde belang sterk uiteenloopt. De rechterlijke interpretatie van strafvorderlijke regels slaat in de meeste gevallen neer in de formulering van een nadere maatstaf waaraan moet worden getoetst of de regel is nageleefd. Op de keuze voor het soort maatstaf wordt nu wat nader ingegaan.2