Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/7.8.2.2.1
7.8.2.2.1 Conclusie
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232964:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie nader paragraaf 7.8.2.5.2.
Zie de hiervoor aangehaalde uitspraken van rechtbank ‘s-Hertogenbosch (pres.) 12 augustus 1988 en 1 november 1988, De NV 67/3 (1988), pagina 74 e.v., alsmede de uitspraak van rechtbank Midden-Nederland (voorzieningenrechter) 27 september 2017, nr. C/16/446066/KG ZA 17-678, Notamail 2017/249.
Aangezien een conflict tussen de certificaathouders en (het bestuur van) de STAK in beginsel de organisatie van de STAK betreft, dient een dergelijke regeling opgenomen te worden in de statuten en niet in de administratievoorwaarden (zie paragraaf 7.8.2.4). Dit laat natuurlijk onverlet dat in de administratievoorwaarden een regeling getroffen kan worden die de verbintenisrechtelijke positie van de certificaathouders versterkt, bijvoorbeeld in de vorm van een zekerheidsrecht op gecertificeerd vermogen (zie nader paragraaf 7.8.2.3 hierna).
Zie hierover nader paragraaf 7.8.2.5.2.
F.J.P. van den Ingh, Certificering van aandelen, WPNR 2007/6737, paragraaf 3.4.
Zowel in de verbintenisrechtelijke verhouding als in de institutionele verhouding dient de STAK rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van de certificaathouders en mag zij die belangen niet op onevenredige wijze schaden. Gezien de jurisprudentie dienaangaande heeft de STAK echter een behoorlijke vrijheid van handelen, alvorens zij in de ogen van de rechter te zeer in strijd met het belang van de certificaathouders handelt. Aangezien het bestuur van een stichting een grote autonomie heeft, althans in de basisregeling van titel 2.6 BW,1 hebben de certificaathouders relatief weinig mogelijkheden om voor hun belangen op te komen, tenzij de statuten van de STAK die mogelijkheid voor hen creëren.
Ik zou willen aannemen dat de insteller van certificering, die dit doet met het oog op de bescherming van het gecertificeerde vermogen, in beginsel ten minste mede vanuit het belang van de toekomstige verkrijgers van de certificaten handelt. Dit laat echter onverlet dat de insteller de verantwoordelijkheid over het beheer van het vermogen, en daarmee een grote mate van vertrouwen, neerlegt bij een of meer derden, die het bestuur van de STAK vormen. Zeker naarmate meer tijd verstrijkt en de precieze bedoeling van de insteller mogelijk meer uit beeld raakt, kan het handelen van een dergelijk bestuur gaan afwijken van de bedoeling van de insteller of te zeer in strijd komen met de belangen van de certificaathouders, zonder dat de inbreuk op het belang van deze laatsten zodanig is dat zij hier in rechte tegen kunnen opkomen. Bovendien is er de, weliswaar minder voorkomend, maar toch niet denkbeeldige,2 mogelijkheid dat de bestuurders van de STAK pogen het gecertificeerde vermogen te eigen bate aan te wenden. Ten slotte is denkbaar dat één of enkele certificaathouders meer zeggenschap hebben in de STAK dan de andere, bijvoorbeeld omdat het gecertificeerde vermogen bestaat uit aandelen in de vennootschap met het familiebedrijf en zij als beoogde bedrijfsopvolgers (met derden) deel uitmaken van het bestuur van de STAK. De belangen van de certificaathouders lopen dan mogelijk uiteen, hetgeen noopt tot bescherming van die certificaathouders die minder zeggenschap hebben.
Het is daarom naar mijn mening van groot belang om een regeling te treffen die op evenwichtige wijze rekening houdt met zowel het belang van de STAK, althans het belang dat zij gezien haar doelstelling nastreeft, als het belang van de certificaathouders. Dat betekent dat in de statuten van de STAK3 een regeling getroffen moet worden die de certificaathouders de mogelijkheid biedt om één of meer bestuurders te vervangen, dan wel hun handelen in rechte te laten toetsen. Ook indien de insteller de certificaathouders om hem moverende redenen weinig of zelfs geen zeggenschap heeft willen geven, of juist in die situatie, omdat de certificaathouders dan in grotere mate afhankelijk zijn van het bestuur van de STAK, dient aan de certificaathouders de mogelijkheid geboden te worden om het handelen van dit bestuur in rechte ter discussie te stellen.4
In dit verband zij gewezen op de mening van Van den Ingh, dat (in de context van gecertificeerde aandelen) de echte lacune in de praktijk is dat certificaathouders weinig juridische ruimte hebben om een STAK tot actie te bewegen of te corrigeren, gezien de inhoud van de meeste administratievoorwaarden en stichtingsstatuten, alsmede gezien het wettelijke stichtingsrecht. Dit speelt zijns inziens met name indien een deel van de certificaathouders wel vertegenwoordigd is in het bestuur van de STAK en een deel niet. Hij pleit in dit verband voor uitbreiding van het enquêterecht tot stichtingen die aandelen ten titel van beheer houden.5 Dit lijkt mij een waardevolle toevoeging aan de bescherming van de positie van de certificaathouders. Bij gebreke aan een dergelijke regeling en ook indien die er zou zijn in aanvulling daarop, ben ik evenwel van mening dat de insteller van de certificering zelf op evenwichtige wijze rekening dient te houden met de positie van de certificaathouders en hen derhalve in de statuten van de STAK de benodigde middelen dient toe te kennen om die te waarborgen. Hierna ga ik nader in op een aantal aspecten van de statuten van de STAK, in welk kader ik ook een aantal mogelijke regelingen ten behoeve van de certificaathouders zal bespreken.