Einde inhoudsopgave
Onafhankelijkheid van de rechter (SteR nr. 3) 2011/4.3.3
4.3.3 De functie ‘rechterlijke macht’
mr. dr. P.M. van den Eijnden, datum 01-10-2010
- Datum
01-10-2010
- Auteur
mr. dr. P.M. van den Eijnden
- JCDI
JCDI:ADS498576:1
- Vakgebied(en)
Juridische beroepen / Rechter
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 77 Staatsregeling 1801, artikel 69 Staatsregeling 1805, artikel 66 Staatsregeling 1806, artikel 101 b Gw 1814, artikel 166 Gw 1815, artikel 164 Gw 1840, artikel 149 Gw 1848 en 1884, artikel 155 Gw 1887 en 1917, artikel 156 Gw 1922 (inclusief openstelling van deelneming door leken), artikel 162 Gw 1938, 1946 en 1948, artikel 169 Gw 1953, 1956, 1963 en 1972.
J.T. Buijs, De Grondwet: Toelichting en kritiek, deel II, Arnhem: Gouda Quint 1884-1887, p. 370.
Zie ook J.R. Thorbecke, Aanteekening op de Grondwet, 2e uitgave, Amsterdam: Johannes Müller 1843; nieuwe 2e uitgave, ’s-Gravenhage: Nijhoff 1906, tweede deel, p. 161: ‘Men kan eigenlijk niet zeggen dat de Grondwet regtbanken instelt; het is hare taak niet; zij gebiedt aan de wet in te stellen. Wat of wat niet ten gevolge der Grondwet kan of moet worden ingesteld, is soms ook niet boven twijfel. Zijn b.v. de schuttersraden en de Gedeputeerde Staten (ingesteld bij artikel 63 sqq van de Wet van 11 april 1827, Stb. nr. 17) als regtbanken voor de schutterij ten gevolge der Grondwet ingesteld?’ Niet duidelijk is waarom Thorbecke meende dat het niet de taak van de Grondwet is om de rechtbanken aan te wijzen.
Onder meer in chronologische volgorde: J.R. Thorbecke, Aanteekening op de Grondwet, Amsterdam: Johannes Müller 1839, p. 241-242, en Thorbecke 1843, tweede deel, p. 159-161; J.T. Buijs, Grondwet: Toelichting en kritiek, deel II, Arnhem: Gouda Quint 1884-1887, p. 369-372; J. Heemskerk, De praktijk onzer Grondwet, Utrecht: Beijers 1881, tweede deel, p. 44-45, R. Kranenburg, Het Nederlands staatsrecht, Haarlem: Tjeenk Willink & Zoon 1958, p. 301-302, P.J. Oud, Het constitutioneel recht van het koninkrijk der Nederlanden (tweede druk), Zwolle: Tjeenk Willink 1970, deel II, p. 642-644. Hierna verwijzing in korte vorm.
De Schets van Hogendorp is een ontwerp voor een Nederlandse grondwet opgesteld door Gijsbert Karel van Hogendorp (1762-1843) in 1812. De schets heeft als leidraad gediend voor de Commissie tot zamenstelling der Grondwet van 1813-1814, waarvan hij zelf voorzitter was, die uiteindelijk de eerste Grondwet van het Koninkrijk der Nederlanden heeft ontworpen.
B.D.H. Tellegen, ‘Welke bepalingen omtrent de Justitie zijn in de Grondwet onmisbaar?’, Handelingen der NJV 1883-I, p. 84-86. In dit citaat worden de artikelen 101a-f Gw voorgesteld als een bescheiden vorm van codificatie van enkele grondrechten voor burgers, waaronder de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht.
M.E. Verburg, Geschiedenis van het Ministerie van Justitie, deel I: 1798-1898, Den Haag: SDU Uitgeverij Koninginnegracht 1994, p. 153 e.v. Al lijkt dit strijdig met de opmerking van Tellegen in de eerder geciteerde passage dat de bepalingen 101a-f Grondwet waren gemaakt om te beletten, dat men terugzonk in hetgeen vóór de omwenteling bestaan had.
Thorbecke 1839, p. 241-242 (commentaar bij artikel 166 Gw 1815); Thorbecke 1843 (uitgave 1906), tweede deel, p. 159-161 (commentaar bij artikel 164 Gw 1840). De tekst van de grondwetsbepaling luidde in 1815 en 1840: ‘De regterlijke magt wordt alleen geoefend door regtbanken, welke bij of ten gevolge dezer grondwet worden ingesteld.’ Aangezien het begrip rechterlijke macht hier in de betekenis van functie wordt gebezigd, is dat niet vreemd.
Thorbecke 1839, p. 241; hij lijkt de rechterlijke macht als een onderdeel van de uitvoerende macht aan te merken, maar dan wel een bijzonder onderdeel gezien de aard van de taak.
Thorbecke 1839, p. 241-242.
Thorbecke 1839, p. 242.
Thorbecke 1843 (nieuwe 2e uitgave 1906), tweede deel, p. 160-161.
De functionele betekenis van de term rechterlijke macht kan worden uitgelegd aan de hand van de voorlopers van artikel 116, eerste lid, Gw. Het voorschrift dat de rechterlijke macht alleen wordt uitgeoefend door rechters welke bij of ingevolge de (Grond)wet zijn ingesteld, stond in alle Nederlandse constituties van vóór 1983.1 Van 1814 tot 1848 sprak deze grondwetsbepaling over ‘rechtbanken’ die de rechterlijke macht uitoefenen, later wordt dit gewijzigd in ‘rechters’. Met deze redactionele wijziging wilde men voorkomen dat deze bepaling zodanig eng werd geïnterpreteerd dat daaronder slechts rechterlijke colleges zouden vallen en niet de alleensprekende kantonrechters, wat zeker niet de bedoeling was.2 De woorden ‘bij of ingevolge de Grondwet’ wilden niet zeggen dat de Grondwet zelf bepaalde welke personen of organen tot de rechterlijke macht behoren, maar enkel dat zij tenminste door de wet moesten worden aangewezen.3
Het verband van deze bepaling met de rechterlijke onafhankelijkheid is op het eerste oog misschien onduidelijk, maar blijkt uit de – overigens qua onderwerp nogal uiteenlopende – toelichtingen hierop van staatsrechtgeleerden.4 Zo bracht Thorbecke het voorschrift in verband met het algemene onderscheid tussen bestuur en rechtspraak (administratie en justitie), Kranenburg onder meer met het al dan niet kunnen instellen van ad hoc gerechten, Buijs en Heemskerk voornamelijk met de (on)mogelijkheid van juryrechtspraak en lazen Heemskerk en Tellegen hierin blijkens de handelingen der Nederlandse Juristen Vereniging van 1883 ook een delegatieverbod. Meer in het bijzonder schreef Tellegen dat de grondwetscommissie van 1813 een element in de Grondwet bracht, te weten deze bepaling over de rechterlijke macht, wat werd gemist in de Schets van Hogendorp:5
‘Hogendorp had (…) in art. 52 (…) over een algemeen wetboek gehandeld. (…) Maar de Commissie meende, dat eenige beginselen door de Grondwet zouden moeten worden uitgesproken, waarvan men bij het wetboek niet zoude mogen afwijken.
Ten einde duidelijker te doen uitkomen de onafhankelijkheid van de Rechterlijk Macht van elke andere dan die der wet, werd bepaald, dat deze alleen mocht worden uitgeoefend door rechtbanken bij of tengevolge van de Grondwet ingesteld (artikel 101b). (…) Het waren bepalingen [art. 101a-f, PvdE], gemaakt om te beletten, dat men terugzonk in hetgeen vóór de omwenteling bestaan had; voor het meerendeel was hare bron de Staatsregeling van 1798 (…). Iets wat in de verste verte niet gelijk gesteld kon worden met eene verklaring der rechten volgens Noord-Amerikaansch of Fransch model, evenmin met de daaraan verwante Grondtrekken van de Staatsregeling van 1798; het droeg een veel meer bescheiden karakter, doch het had toch eveneens de strekking de ingezetenen door de Grondwet tegen misbruik van de Wetgevende of Uitvoerende macht te beschermen.’6
Tellegen was dus van mening dat de bepaling dat de rechterlijke macht alleen mocht worden uitgeoefend door rechtbanken bij of ten gevolge van de Grondwet ingesteld, met het oog op de rechterlijke onafhankelijkheid is opgenomen in de Grondwet. Zij legde de wetgever, die als gevolg van het codificatieartikel gehouden was een algemeen wetboek over de rechtspleging en inrichting der rechterlijke macht te creëren, aan banden. Dat deze bepaling vroeger wel in verband werd gebracht met de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht blijkt ook uit de tweede zin van deze bepaling in de Staatsregelingen van 1805 en 1806:
‘De Regterlijke Magt wordt alleen uitgeoefend door Regters, ingevolge de Staatsregeling aangesteld. Geene Politieke Magt oefent eenigen invloed op de Regterlijke Magt uit.’ (art. 69 Staatsregeling 1805)
‘De Regterlijke Magt wordt alleen uitgeoefend door Regters, ingevolge de Wet aangesteld. Geene Politieke Magt vermag de onafhankelijkheid der Regters in de uitoefening van eenig gedeelte van hunne werkzaamheden belemmeren.’ (art. 66 Staatsregeling 1806)
De hierboven niet gecursiveerde zinnen zijn de meest duidelijke verwijzing naar functionele onafhankelijkheid van de rechter die de Nederlandse constitutie ooit heeft gekend. In de Grondwet van 1814 is deze toevoeging echter al niet meer te vinden. De vraag rijst waarom die zin is komen te vervallen. Was het een bewuste politieke keuze, of niet? Er zijn helaas geen commentaren op de Grondwet die daar op ingaan, ook niet de Aanteekening van Thorbecke op de Grondwet van 1815, die wel verwijst naar de betreffende staatsregelingen. Wellicht is het schrappen ervan verklaarbaar als politieke tegenreactie op de revolutionaire gedachten die in de periode 1795-1813 onder invloed van Frankrijk en het gedachtegoed van Montesquieu leefden en wilde men in 1814 als het ware delen van het ancien régime in ere herstellen.7 Dat blijkt onder meer uit het gegeven dat Willem I destijds heeft aangegeven invloed te willen krijgen op de benoeming van de eerste leden van de Hoge Raad.8
Thorbeckes toelichting bij deze grondwetsbepaling behelst in feite een uiteenzetting over de aard (en omvang) van de functie rechtspraak.9 Zijn conclusie is dat de aard van de rechterlijke functie het noodzakelijk maakt de uitoefening ervan vast te leggen bij wet, alsook deze te scheiden van andere staatsfuncties, met name van de uitvoerende macht. De rechterlijke functie is in zijn ogen beperkt tot het gebied van de burgerlijke rechter en de strafrechter. Zijn betoog toont aan dat de rechterlijke macht, gezien de aard van die functie, onafhankelijk van de uitvoerende macht moet worden uitgeoefend. Allereerst benadrukt Thorbecke dat de inrichting van ambten, bij de andere takken van uitvoerende macht in de regel aan de Koning overgelaten, ten aanzien van de rechterlijke macht aan de wet behoort.10 De rechterlijke macht onderscheidt zich van alle overige takken van bestuur zowel door de bijzondere natuur van de aan haar onderworpen zaken als ten aanzien van de regel van de beslissing en de toepassing. De rechterlijke macht bestaat in de uitvoering der wetten en de daarin verzekerde rechten. Bij wet toegekende rechten wijken zelfs niet voor een nieuwe wet, noch hangen ze in het algemeen af van openbaar recht of belang. Het oordeel over de toepasselijkheid van de wettelijke regel wordt aan de overtuiging van de rechter overgelaten. Het beleid van de andere handelingen van bestuur is steeds buigzaam door hoger gebod. Richtsnoer voor het bestuur is de publieke zaak, waaraan het bijzondere geval wordt onderworpen. De rechter voert de wet daarentegen uit zonder aanzien van de publieke zaak en kan door geen enkele overheid worden geregeerd.11 Het gegeven dat de rechter niet door de uitvoerende macht kan worden gestuurd, is een duidelijke verwijzing naar de rechterlijke onafhankelijkheid. Volgens Thorbecke kan een rechterlijke autoriteit daarom net zomin over ‘zaken van regering’ spreken (hij verwerpt hiermee administratieve rechtspraak), als een ‘autoriteit van regering’ dat over rechtszaken kan (de rechterlijke macht is onafhankelijk). Daarom is de burgerlijke rechter exclusief bevoegd in twistgedingen over eigendom, schuldvordering of burgerlijke rechten (toenmalig artikel 165 Gw 1815 en huidig artikel 112 lid 1 Gw). Vanwege die bijzondere eigenschappen van de rechterlijke macht schijnt het hem volkomen gegrond, dat men de kring van haar uitoefening, beschreven en verdeeld bij de wet, gesloten, en de rechterlijke functievervulling van ander staatsgezag of regeerbedrijf losgemaakt heeft.12
Ook in de tweede druk van Aantekening op de Grondwet legt Thorbecke een verband tussen deze grondwetsbepaling (art. 164 Gw 1840) en rechterlijke onafhankelijkheid, al gebruikt hij daarvoor andere woorden. Allereerst merkt hij op dat het beginsel van deze bepaling reeds in artikel 161 Gw 1840, over regeling van de samenstelling van de rechterlijke macht door de wet, ligt besloten. De rechterlijke macht kan dus alleen door de rechtbanken bij die wet ingesteld worden uitgeoefend. Rechterschap bestaat in iedere tak van bestuur, waar over een geschil van bevoegdheid, of over een feit naar een rechtsregel, moet worden geoordeeld. Maar de Grondwet doelt niet op de rechterlijke werkzaamheid in die hele omvang. Zij verstaat, zoals uit andere grondwetsbepalingen blijkt, onder rechterlijke macht slechts het gebied van de burgerlijke en de strafrechter. De aard van wetten verzet zich tegen vermenging van haar uitvoering met het beleid van de andere delen van uitvoerende macht. Uitoefening van laatstgenoemde blijft, op grond van het publiek belang, ieder ogenblik buigzaam door wettig gebod; in de regel steeds van het hoofd van die macht afhankelijk. Doch de burgerlijke en strafrechter heeft in elk geding te spreken naar een recht, wat voor dit geding door geen overheid meer kan worden veranderd, en dat hij binnen de grenzen van zijn bevoegdheid zelfstandig (onafhankelijk) toepast. Elk rechterschap daarbuiten is een verrichting van politisch bestuur. Maar de uitvoering, die aan eerder genoemde rechters is toevertrouwd, is in wezen geen politiek, en er dus ook formeel van gescheiden. Het opdragen van die bevoegdheid aan vaste rechtbanken moet de ‘zuivere en ongestoorde bediening van justitie’ voor alle gevallen waarborgen.13
De grondwetsgeschiedenis en doctrine leggen een duidelijk verband tussen het functionele begrip rechterlijke macht en de onafhankelijkheid van de rechter. Hierin werd gelezen dat de rechter in de uitoefening van zijn functie onafhankelijk is/moet zijn van de uitvoerende macht.