Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/5.4.1
5.4.1 Overzee/Zoeterwoude
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685434:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 19 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1683, NJ 2016/1, AB 2016/58 (Overzee/Zoeterwoude).
Het college van B&W heeft bij die toezegging consistent het voorbehoud gemaakt dat de gemeenteraad en Gedeputeerde Staten moeten instemmen met de plannen. Er was slechts sprake van principe-medewerking.
In de procedure is vast komen te staan dat het college van B&W geen onjuiste inlichtingen heeft verschaft. Zie HR 19 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1683, NJ 2016/1, AB 2016/58, rov. 3.4 waarin de daartegen gerichte cassatieklacht wordt verworpen.
HR 19 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1683, NJ 2016/1, AB 2016/58, rov. 3.5.2. Het is niet het rechtmatige besluit waaruit de schade voortvloeit. Dat de toezegging in de bestuursrechtelijke procedure aan de orde had kunnen komen, is dan ook niet van belang. Van der Grinten meent in zijn annotatie O&A 2016/40 dat het arrest een breuk vormt met Kuijpers/Valkenswaard.
HR 19 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1683, NJ 2016/1, AB 2016/58, rov. 3.5.3.
HR 13 februari 1981, ECLI:NL:HR:1981:AC2891, NJ 1981/456 (Heesch/Reijs).
Namelijk de toezegging een ruilovereenkomst aan de gemeenteraad ter behandeling voor te leggen.
Anders: Van Tilborg en Van de Sande hechten waarde aan de omstandigheid dat de toezegging niet afkomstig is van het uiteindelijk bevoegde bestuursorgaan, respectievelijk JOR 2015/320 en JB 2015/140. Mijns inziens moet het onderscheid worden gevonden in het rechtshandelingkarakter van een toezegging.
Die voorwaarde behandel ik in par. 8.2.
Hof Amsterdam 6 juni 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:2125, rov. 3.4. Zie hierover ook hoofdstuk 8.
Hof Amsterdam 6 juni 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:2125, rov. 3.6.
In het in de inleiding van dit hoofdstuk genoemde geval Overzee/Zoeterwoude had de gemeente een toezegging gedaan.1 Die toezegging zag echter niet op het nemen van een besluit, maar op het verrichten van een feitelijke handeling. Overzee wilde een herziening van het bestemmingsplan. Om dat mogelijk te maken, moest een perceel in het bestemmingsplan een woonbestemming krijgen. Tussen Overzee en de gemeente Zoeterwoude heeft het nodige contact plaatsgevonden om die bestemmingsherziening mogelijk te maken. De gemeente heeft in dat kader toegezegd zich in te spannen2 om een woonbestemming in het bestemmingsplan te realiseren.
In dat kader heeft het college van B&W een brief aan Overzee geschreven met de toezegging:
“(…) De voormalige dienstwoning zullen wij met de bestemming “woondoeleinden” opnemen in het ontwerp-bestemmingsplan Landelijk Gebied (1989).”
Het college liet vervolgens echter na de woonbestemming in dit aan de gemeenteraad voorgelegde ontwerpbestemmingsplan op te nemen en uiteindelijk is een bestemmingsplan tot stand gekomen en in stand gebleven waarin de beoogde woonbestemming ontbreekt. Overzee stelt de gemeente aansprakelijk voor het ontnemen van de kans dat een voor hem gunstig bestemmingsplan zou worden vastgesteld: het college is zijn toezegging het ontwerpbestemmingsplan aan de gemeenteraad voor te leggen niet nagekomen waardoor Overzee geen reële kans heeft gehad op een onherroepelijke woonbestemming. Bij de rechtbank en het hof krijgt Overzee geen gelijk. A-G De Vries Lentsch-Kostense concludeert tot verwerping van het cassatieberoep omdat de toezegging van de gemeente op grond van het samenhangcriterium onder de formele rechtskracht van het bestemmingsplan zou vallen. De Hoge Raad denkt daar anders over.
Het is volgens de Hoge Raad niet de schending van de toezegging zich in te spannen tot het realiseren van een woonbestemming in het bestemmingsplan die tot overheidsaansprakelijkheid leidt.3 De handeling waarvoor de gemeente wél aansprakelijk is, betreft het niet nakomen van de (resultaatgerichte) toezegging om de voormalige dienstwoning met de bestemming ‘woondoeleinden’ op te nemen in het ontwerpbestemmingsplan. De niet-nakoming van die resultaatgerichte toezegging (het verrichten van een feitelijke handeling waarvoor geen andere bestuursorganen nodig zijn) had tot gevolg dat Overzee de kans is ontnomen dat de woning de door hem gewenste bestemming zou krijgen in het bestemmingsplan:4
“De beoordeling van de vordering op deze grondslag vergt geen beslissing over de rechtmatigheid van het bestemmingsplan. De op die grondslag berustende vordering tot vergoeding van de door deze kansontneming of -vermindering geleden schade stuit dan ook niet af op de formele rechtskracht van het bestemmingsplan.”5
De Hoge Raad verwijst daarbij naar het arrest Heesch/Reijs.6 In die zaak zag de overheidstoezegging evenmin op een uit te oefenen bestuursrechtelijke bevoegdheid, maar op een feitelijke handeling.7 Omdat de Hoge Raad naar dit arrest verwijst (en expliciet niet naar Kuijpers/Valkenswaard) meen ik dat Overzee/Zoeterwoude geen wijziging van de leer van het samenhangcriterium van Kuijpers/Valkenswaard vormt.8 Indien sprake is van een resultaatgerichte toezegging waarop gerechtvaardigd mocht worden vertrouwd,9 is het niet honoreren daarvan als zodanig onrechtmatig en is het samenhangcriterium niet van toepassing.
Een bevestiging hiervan lees ik ook in het verwijzingsarrest van het Hof Amsterdam bij Overzee/Zoeterwoude, waarin de vraag moest worden beantwoord of door de niet-nakoming van de toezegging een kans op verwezenlijking van de bestemming is ontnomen.10
“Het niet nakomen van de hiervoor bedoelde toezegging [het niet opnemen van de dienstwoning in het ontwerpbestemmingsplan, NvT] is immers als zodanig onrechtmatig jegens [appellant].”11
Het niet-nakomen van een toezegging is een zelfstandige onrechtmatige daad. In hoofdstuk 8 en 11 stel ik die grondslag van schadevergoeding voor de niet-nakoming van een toezegging ter discussie.