Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/1.5.5
1.5.5 Toepasselijkheid van artikel 6 lid 3 sub d EVRM in andere gevallen?
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 9 mei 2003, appl.no. 59506/00 (Papageorgiou/Griekenland), § 39-40.
Zie daarover uitvoerig § 8.6.4.
Zie bijvoorbeeld EHRM (GC) 16 februari 2000, appl.no. 28901/95 (Rowe & Davis/Verenigd Koninkrijk). In deze zaak was weliswaar geklaagd over schending van artikel 6 lid 3 sub d EVRM, maar stelde het EHRM alleen een schending van artikel 6 lid 1 EVRM vast.
Zie over de vraag of een deskundige als getuige in de zin van artikel 6 lid 3 sub d EVRM moet worden aangemerkt § 5.3.2.
EHRM 11 december 2008, appl.no. 6293/04 (Mirilashvili/Rusland), § 159.
Vgl. EHRM 12 december 2013, appl.no. 19165/08 (Donohoe/Ierland), waarin weliswaar het beslismodel van het arrest Al-Khawaja & Tahery werd toegepast in een zaak waarin processtukken waren onthouden aan de verdediging, maar de klacht desondanks alleen onder artikel 6 lid 1 EVRM werd onderzocht.
In het arrest Papageorgiou heeft het ehrmartikel 6 lid 3 sub d evrm van toepassing geacht, hoewel niet aan de voorwaarden van dat artikel lijkt te zijn voldaan. In deze zaak was de klager veroordeeld wegens valsheid in geschrift. Hij zou betaalcheques hebben vervalst. Het bewijs daarvan bestond onder andere uit zeven vervalste cheques. Papageorgiou had erover geklaagd dat de bank nooit de originelen daarvan ter beschikking had gesteld in de strafrechtelijke procedure. Onderzoek van de originelen zou volgens hem hebben aangetoond dat in de kopieën wijzigingen waren aangebracht. Een deskundige had een handschriftanalyse uitgevoerd waaruit bleek dat de verdachte de cheques had vervalst. De rechter weigerde echter een ondervraging van deze deskundige te laten uitvoeren in het bijzijn van een andere handschriftdeskundige. Het ehrm stelde vast dat het recht op een eerlijk proces was geschonden, omdat essentiële bewijsstukken niet correct waren ingebracht als bewijsmateriaal en niet ter zitting aan de orde waren gesteld.1
Deze vaststelling is op zich niet verbazingwekkend. Het recht op een adversaire procedure, meer in het bijzonder het recht op disclosure of evidence, is hier namelijk niet gerespecteerd.2 Het bijzondere van deze uitspraak is echter dat het ehrm een schending vaststelde van artikel 6 lid 1 én 6 lid 3 sub d evrm. In zaken waarin bepaalde informatie in het geheel niet of in een te laat stadium van de procedure was onthuld, oordeelde het ehrm standaard dat alleen artikel 6 lid 1 evrm was geschonden, zelfs als de verdediging door het niet beschikbaar stellen van die informatie duidelijk nadeel had ondervonden met betrekking tot het onderzoeken van de betrouwbaarheid van getuigen.3 In de zaak Papageorgiou lijkt getuigenbewijs in het geheel niet relevant te zijn geweest bij de beoordeling van de klacht. Het is dan ook de vraag waarom het ehrm de klacht niet alleen onder artikel 6 lid 1 evrm heeft beoordeeld. Die beslissing is in het arrest niet toegelicht.
Er kunnen verschillen worden vastgesteld tussen het arrest Papageorgiou en andere uitspraken over het verschaffen van toegang tot bewijsmateriaal. Ten eerste ging het in de zaak Papageorgiou om de corpora delicti. In de andere zaken ging het om toegang tot bewijsmateriaal dat zou kunnen dienen om de betrouwbaarheid van ander bewijsmateriaal te onderzoeken. Ten tweede was in de zaak Papageorgiou geen sprake van niet-onthuld bewijsmateriaal, maar ging het om de kwaliteit van het bewijsmateriaal: in plaats van de kopieën hadden de originele documenten beschikbaar moeten worden gesteld. Deze verschillen rechtvaardigen mijns inziens echter niet de toepasselijkheid van artikel 6 lid 3 sub d evrm in de zaak Papageorgiou. Wellicht is van cruciale betekenis geweest dat in de zaak Papageorgiou ook was geklaagd over het afwijzen van een verhoor ter zitting van de handschriftdeskundige in het bijzijn van een andere handschriftdeskundige. Het ehrm kan de deskundige hebben aangemerkt als getuige in de zin van artikel 6 lid 3 sub d evrm.4 Ook als dit het geval is geweest, valt op dat de vaststelling van de schending in de zaak Papageorgiou uitsluitend is gemotiveerd door te wijzen op het ontbreken van toegang tot de originele cheques.
In het arrest Mirilashvili attendeerde het ehrm erop dat het in het arrest Papageorgiou ook toegang tot documentary evidence heeft onderzocht vanuit het perspectief van artikel 6 lid 3 sub d evrm.5
Op grond van dit ene arrest kan niet worden geconcludeerd dat het ehrm het ondervragingsrecht altijd van toepassing zal achten wanneer het originele bewijsmateriaal niet door de verdediging mocht worden onderzocht. Ik vermoed dat het ehrm nieuwe zaken waarin uitsluitend de toegang tot bewijsmateriaal centraal staat, zal blijven onderzoeken onder artikel 6 lid 1evrm.6