Einde inhoudsopgave
De Europese Executoriale Titel (BPP nr. III) 2005/6.4.3
6.4.3 Rechtsmacht van de rechter tot het uitvaardigen van een Europees betalingsbevel
Mr. M. Zilinsky, datum 02-03-2005
- Datum
02-03-2005
- Auteur
Mr. M. Zilinsky
- JCDI
JCDI:ADS381881:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Voor een behandeling van de bevoegdheidsgronden van de EEX-Verordening wordt verwezen naar paragraaf 2.4.3.
COM (2002) 746 def., p. 25. Dit wordt tevens door Nederland gesteund. Zie Kamerstukken II 2002/03, 22112, nr. 275, p. 6. Zie ook A.C.C.M. Uitdenhaag, Executief 200310, p. 144. Anders Rechberger/Kodek (2001), p. 50.
Dit argument pleit ervoor om geen regeling betreffende de erkenning van een Europees betalingsbevel op te nemen. In de uitzonderlijke gevallen dat de crediteur niet in de lidstaat van de woonplaats van de schuldenaar het bevel ten uitvoer kan leggen, kan teruggevallen worden op de reeds bestaande regelingen, zoals de EEX-Verordening en de EET-Verordening.
Dit is anders, indien de huurder en de verhuurder in een en dezelfde lidstaat gevestigd zijn en de huur geen betrekking heeft op een periode van meer dan zes maanden.
Indien de huurder geen verweer voert in de procedure tot het gelasten van het betalingsbevel, zal hij een rechtsmiddel tegen het bevel kunnen instellen. In een dergelijk geval wordt hem de mogelijkheid geboden om zijn verweren door de rechter van zijn woonplaats te laten beoordelen. Een dergelijke gang van zaken zou echter op een ongelijke manier de bevoegdheid van de Nederlandse rechter creëren in een procedure die met een bodemprocedure is gelijk te stellen.
Burgerlijke Rechtsvordering, Vlas, Verdragen & Verordeningen, EEX-Verordening, Art. 22, aant. 4. Zie over deze problematiek P. Vlas, 'EEX en onroerend goed', in: J. Struiksma, A.A. van Velten jr., P. Vlas, B.C.M. Waaijer (red.), Vast en goed, Bundel opstellen aangeboden aan prof. mr. A.A. van Velten, Deventer: Kluwer 2003, p. 291-306.
De toekenning van de exclusieve bevoegdheid tot kennisneming van een betalingsbevelverzoek aan de rechter van de woonplaats van de schuldenaar beperkt ook het toepassingsgebied van de regeling tot die gevallen dat de schuldenaar in een lidstaat gevestigd is.
Zie ook Kamerstukken II 2002/03, 22 112, nr. 275, p. 5.
Vgl. Advies van het ECOSOC, Pb EG C 220 van 16 september 2003, p. 5, nr. 3.1.9.
Zie ook Kamerstukken II 2002/03, 2 112, nr. 275, p. 6.
COM (2002) 746 def., p. 26.
Pb EG L 174 van 27 juni 2001, p. 25.
Het informatiesysteem wordt door de Europese Commissie beheerd. Zie voor meer gegevens die in het systeem zijn opgenomen: http://www.europa.eu.int/comm/justice_home/ejn/indez_nl.htm.
Een interessante vraag die bij het opstellen van een regeling van de procedure tot het verkrijgen van een Europees betalingsbevel rijst, is welke rechter bevoegd moet zijn tot het gelasten van een dergelijk bevel. De rechterlijke bevoegdheid in internationale burgerlijke en handelszaken wordt in de lidstaten in de eerste plaats beheerst door de EEX-Verordening. Slechts ingeval de verweerder geen woonplaats in een lidstaat heeft, is de verordening voor het bepalen van de rechtsmacht ingevolge art. 4 niet van toepassing.1 Ingevolge art. 2 EEX-Vo is de rechter van de woonplaats van de verweerder bevoegd om kennis te nemen van een tegen hem ingestelde vordering. Naast deze hoofdregel staat de EEX-Verordening in bepaalde gevallen nog afwijkingen van deze hoofdregel toe 2 De vraag is echter of de regeling van de procedure tot het verkrijgen van een Europees betalingsbevel ook een regeling van de rechtsmacht moet bevatten.3 Nu de rechtsmacht in burgerlijke en handelszaken door de EEX-Verordening wordt beheerst, zou de invoering van een bevoegdheidsregeling in de Europese regeling betreffende een incassoprocedure tot een opeenstapeling van bevoegdheidsregelingen leiden. Een dergelijke opeenstapeling is mijns inziens in strijd met de vereenvoudiging van de rechtsregels binnen de EU.
Een vervolgvraag is welke rechter het meest geschikt is om een betalingsbevel te gelasten. In het Groenboek wordt aangegeven dat de bevoegdheid tot het uitvaardigen van een Europees betalingsbevel uitsluitend aan de rechter van de vestigingsplaats van de verweerder zou moeten toekomen.4 Aangezien de betekening van de aanvraag tot de verkrijging van een betalingsbevel aan de debiteur van groot belang is - met name in verband met de eenvoud en de snelheid van de procedure -, worden in een dergelijk geval betekeningsperikelen die bij een grensoverschrijdende betekening bestaan, voorkomen. Bij een grensoverschrijdende betekening rijst met name de vraag naar de wijze van betekening van een stuk in het buitenland, evenals de vraag of het gedinginleidende stuk de wederpartij heeft bereikt dan wel of aan dat stuk een vertaling daarvan moet worden gevoegd. Vervolgens komt de vraag aan de orde of het stuk in een dergelijk geval tijdig en op een wijze als met het oog op zijn verdediging nodig is, aan de debiteur is betekend. De niet tijdigheid van de betekening kan bijvoorbeeld op grond van art. 34 sub 2 EEX-Vo in de weg staan aan de erkenning van een rechterlijke beslissing in een andere lidstaat.
Indien de incassoprocedure bij de rechter van de vestigingsplaats van de debiteur wordt gevoerd, behoeft de crediteur bij het verkrijgen van het bevel niet meer geconfronteerd te worden met een exequatur- dan wel EET-procedure, aangezien het bevel in de meeste gevallen in die lidstaat geëxecuteerd zal worden.5
Dit laatste argument pleit voor de toekenning van de rechtsmacht in het kader van een incassoprocedure aan de rechter van de plaats van tenuitvoerlegging (forum executionis). Het verkregen betalingsbevel kan, nadat het uitvoerbaar is geworden, zonder tussenkomst van een andere rechter worden geëxecuteerd. Tegen een dergelijke regeling pleit dat het forum executionis niet als een algemeen aanvaarde grond voor de rechtsmacht wordt erkend. Ingevolge art. 22 sub 5 EEX-Vo is de rechter van de plaats van tenuitvoerlegging slechts exclusief bevoegd, indien het een geschil in het kader van de tenuitvoerlegging van een beslissing betreft. Tevens worden door deze regeling de genoemde problemen met de betekening c.q. kennisgeving niet verholpen, aangezien de schuldenaar in een andere staat gevestigd kan zijn.
De toekenning van rechtsmacht aan de rechter van de woonplaats van de schuldenaar kan tot complicaties leiden indien de schuldenaar de vordering betwist. De betwisting leidt dan tot een verwijzing naar de bodemprocedure. Voor de rechtsmacht van de rechter in de bodemprocedure blijft echter de EEX-Verordening van toepassing. Ik geef het volgende voorbeeld. Een in Nederland woonachtig persoon huurt van een in Frankrijk gevestigd bedrijf voor een bepaalde periode een chalet in de Franse Alpen. Indien de huurder de huur niet betaalt, zal de Franse verhuurder een aanvraag tot verkrijging van een betalingsbevel bij de Nederlandse rechter aanhangig moeten maken. Voert de huurder verweer tegen het gelasten van een betalingsbevel, dan zal de Nederlandse rechter de zaak in het geval van het doorprocederen naar de bodemprocedure moeten verwijzen. Ingevolge art. 22 sub 1 EEX-Vo is de Nederlandse rechter echter niet bevoegd, aangezien deze bepaling exclusieve bevoegdheid aan de rechter van de plaats van de ligging van de gehuurde onroerende zaak toekent.6 Voor de Nederlandse huurder betekent dit dat hij bij de Franse rechter moet procederen.7 Mijns inziens rechtvaardigt in een dergelijk geval de enkele verwijzing van de rechter van het geding naar de bodemprocedure niet de bevoegdheid van de rechter in een bodemprocedure. Een afwijking van art. 22 EEX-Vo is zelfs onder de EEX-Verordening niet mogelijk. De rechter van de plaats van de ligging van een onroerende zaak is het beste geschikt om te oordelen over de geschillen ter zake van huur en pacht van onroerende zaken alsmede over de goederenrechtelijke geschillen ten aanzien van die zaken. Tevens wordt hierdoor 'Gleichlauf tussen het toepasselijke recht en de bevoegdheid van de rechter bewerkstelligd.8
Een volgend argument tegen de invoering van een bijzondere regeling van de rechtsmacht voor de incassoprocedure is praktisch van aard. De toepassing van de rechtsmachtregeling van de EEX-Verordening in de gevallen waarin de verweerder een natuurlijke persoon is, leidt in de meeste gevallen ertoe dat de rechter van de lidstaat van de woonplaats van de verweerder bevoegd is. Net als art. 2 EEX-Vo bepalen art. 12 lid 1 (verzekeringszaken), art. 16 lid 2 (consumentenzaken) en art. 20 lid 1 (arbeidszaken) dat de verweerder/natuurlijke persoon in beginsel alleen voor de rechter van zijn woonplaats opgeroepen kan worden.9
Een bijzonder probleem doet zich bij onderhoudsverplichtingen voor. Op basis van art. 5 sub 2 EEX-Vo is, onder andere, ook de rechter van de woonplaats van de alimentatiecrediteur bevoegd. Aan deze regeling ligt de gedachte ten grondslag dat de onderhoudsbehoeftige een zwakke partij is, hetgeen de toekenning van bevoegdheid aan de rechter van diens woonplaats rechtvaardigt. De argumenten voor het niet toekennen van de bevoegdheid aan deze rechter voor een incassoprocedure omdat de grensoverschrijdende betekening en kennisgeving van de aanvraag in deze gevallen tot problemen aanleiding kan geven en omdat voor een eventuele grensoverschrijdende executie een exequatur dan wel een EET aangevraagd moet worden, zijn mijns inziens niet doorslaggevend. Deze problemen komen voor risico van de alimentatiecrediteur. Wanneer deze op een snelle wijze een executoriale titel wil verkrijgen, dient hij een procedure bij de rechter van de woonplaats van de schuldenaar aanhangig te maken.
Een vordering anders dan uit overeenkomst - bijvoorbeeld uit onrechtmatige daad - komt niet in aanmerking voor een betalingsbevel. Dit in verband met het feit dat het voor het instellen van een incassoprocedure nodig is dat het bedrag van de vordering voldoende bepaalbaar is, dat wil zeggen dat het bedrag van de vordering voor de tenuitvoerleggingsautoriteit op een eenvoudige wijze vast te stellen is.10
Het invoeren van een bijzondere bevoegdheidsgrond in het kader van een incassoprocedure heeft ook tot gevolg dat een tussen de crediteur en de debiteur overeengekomen forumkeuze opzij gezet zou worden. Mijns inziens moet de partijautonomie boven overwegingen van eenvoud prevaleren. Een forumkeuze dient de rechtszekerheid en de voorzienbaarheid. Derhalve moet in het geval dat partijen een forumkeuze zijn overeengekomen daaraan gevolg worden gegeven.
De zojuist genoemde overwegingen gelden ook gedeeltelijk indien de schuldenaar een niet-natuurlijke persoon is. In een dergelijke situatie rijst de vraag naar het bepalen van het vestigingsbegrip. Ingevolge art. 60 EEX-Vo is een vennootschap of een rechtspersoon gevestigd ter plaatse van haar statutaire zetel, haar hoofdbestuur of haar hoofdvestiging. De verordening maakt geen onderscheid tussen deze begrippen; ze staan ter keuze aan de eisende partij. Mijns inziens dient van dit communautaire begrip niet te worden afgeweken. Deze drie begrippen vloeien voort uit art. 48 EG waarin het recht van vestiging voor vennootschappen binnen de EU is geregeld.11
Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat geen bijzondere regeling van de exclusieve bevoegdheid van de rechter van de woonplaats van de schuldenaar in het kader van een incassoprocedure noodzakelijk is. De rechtsmacht van de rechter is immers in de EEX-Verordening geregeld.12 Eveneens dient de absolute en de relatieve competentie niet in een Europees instrument te worden geregeld.13 Gezien de verscheidenheid van de procesrechtelijke stelsels van de lidstaten moet dit punt aan de nationale wetgevingen worden overgelaten. In het Groenboek wordt aangevoerd dat een regeling van de absolute en de relatieve competentie in een Europees instrument de voorzienbaarheid ten goede zou komen. Dit onderwerp leent zich naar mijn mening voor de opname in het Europees justitieel netwerk.14 Het Europees justitieel netwerk15 heeft tot taak de justitiële samenwerking tussen de lidstaten in burgerlijke en handelszaken te vergemakkelijken en een informatiesysteem voor het publiek op te zetten.16