Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/VII.4.2.3.d
VII.4.2.3.d Wrap-up
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242885:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Evenzo De Jong, Ondernemingsrecht 2012/51; Olaerts, TvOB 2012, afl. 6, p. 176; en Strik, Ondernemingsrecht 2012/91.
Idem Jacobs, V&O 2012, afl. 6, p. 120; De Jong, Ondernemingsrecht 2012/51; Olaerts, TvOB 2012, afl. 6, p. 176; en Willems in zijn noot onder Rb. Utrecht 15 februari 2012, JOR 2012/243.
Olaerts, TvOB 2012, afl. 6, p. 176. Idem Strik, Ondernemingsrecht 2012/91.
Evenzo Croiset van Uchelen, TOP 2014/242; De Jong, Ondernemingsrecht 2012/51; Strik, Ondernemingsrecht 2012/91; en Willems in zijn noot onder Rb. Utrecht 15 februari 2012, JOR 2012/243.
M. de Boer, ‘Zuidas wacht in spanning af of Gerechtshof oordeelt in Fortis-zaak’, Het Financieele Dagblad 3 februari 2020.
M. de Boer, ‘Aandeelhouders bereiken schikking in Fortis-zaak’, Het Financieele Dagblad 3 maart 2020.
De rechtbank worstelt in de onderhavige uitspraak met het fenomeen van de niet-uitvoerende bestuurder. Zij had moeite met het in kaart brengen van zijn verantwoordelijkheden. Ik meen dat de redenering van de rechtbank over het algemene kader voor aansprakelijkheid van bestuurders in een one tier board zuiver is. Ook vind ik het een goede zaak dat de rechtbank uitdrukkelijk rekening houdt met de positie van de niet-uitvoerende bestuurder, zowel wat betreft zijn takenpakket als zijn informatiepositie.1 In haar overwegingen over de aansprakelijkheid van Lippens, die overigens sterk feitelijk van aard zijn, kan ik me daarentegen niet geheel vinden. In mijn visie is de rechtbank te mild voor de niet-uitvoerende bestuurder, juist omdat hij bestuursvoorzitter was.2 Zoals ik hiervoor al schreef, kan de niet-uitvoerende bestuurder niet zonder meer gelijkgesteld worden aan de commissaris. Dit geldt mijns inziens temeer voor de voorzitter van de one tier board.
Het vonnis van de rechtbank geeft de nodige stof tot overdenking. In navolging van Olaerts meen ik echter dat uit het vonnis niet al te verstrekkende conclusies zijn te trekken over de wijze waarop in de jurisprudentie tegen de aansprakelijkheidspositie van de niet-uitvoerende bestuurder wordt aangekeken. Dit is immers de eerste uitspraak over deze materie. Bovendien draagt het oordeel een sterk casuïstisch karakter.3
Ik verwacht niet dat de rechtbank tot een ander oordeel was gekomen als de zaak onder huidig recht zou hebben gespeeld. Ondanks dat onder het oude recht geen wettelijk onderscheid bestond tussen uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders, heeft de rechtbank wel degelijk oog voor de bijzondere positie van de niet-uitvoerende bestuurder.4
Voor de volledigheid wijs ik erop dat de groep gedupeerde beleggers in hoger beroep is gegaan. Zij kon zich (onder meer) niet vinden in het milde oordeel van de Rechtbank Utrecht met betrekking tot bestuursvoorzitter Lippens.5 Tot een uitspraak in hoger beroep is het – helaas – niet gekomen. Kort voor de uitspraak werd een schikking getroffen tussen de groep gedupeerde beleggers en Ageas, de rechtsopvolger van Fortis.6