Einde inhoudsopgave
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/2.2.3
2.2.3 Selectie materiële belastingwetten
Dr. B.M. van der Sar, datum 05-05-2021
- Datum
05-05-2021
- Auteur
Dr. B.M. van der Sar
- JCDI
JCDI:ADS285210:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Invordering / Inlichtingenverplichting
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Voetnoten
Voetnoten
Ontwerp van wet betreffende de heffing van weergeld (Wet op het weergeld 1916), Kamerstukken II 1915/16, 207, 2.
Ontwerp van wet tot heffing eener voornamenbelasting (Wet op de voornamenbelasting 1916), Kamerstukken II 1915/16, 222, nr. 2. Zie uitgebreider: Schaap 2013.
Ontwerp van wet tot heffing eener belasting op plaatsbewijzen voor personenvervoer met openbare middelen van vervoer (Wet op de plaatskaartenbelasting 1916), Kamerstukken II 1915/16, 215, nr. 2.
Ontwerp van wet tot heffing van een reisbelasting, Kamerstukken II 1935/36, 327, nr. 2 inzake een voorgestelde belasting op buitenlandse plezierreizen. In het Nationaal Archief is correspondentie terug te vinden van de Duitse regering die (tevergeefs) verzoeken om een vrijstelling voor reizen naar de Olympische Spelen van Berlijn (Nationaal Archief, Den Haag, Ministerie van Financiën: Verbaal Archief Administratie der Belastingen (later) Directoraat-Generaal der Belastingen, nummer toegang 2.08.69, inventarisnummer 13).
Wet van 25 juli 1919, tot heffing eener belasting op speelkaarten (Speelkaartenwet 1919), Kamerstukken II 1918/19, 85, Stb. 1919, 513. Zie uitgebreider: De Klerck 1924.
Wet van 20 juni 1924, tot heffing eener belasting op rijwielen (Rijwielbelasting 1924), Kamerstukken II 1923/24, 268, Stb. 1924, 306. In de voorloper van de rijwielbelasting, de Wet PB 1896 was evenmin een geheimhoudingsbepaling opgenomen (De zesde grondslag van de Wet van 16 April 1896, tot regeling der Personele Belasting (Wet op de Personele Belasting 1896), Kamerstukken II 1895/96, 15, Stb. 1896, 72). Zie uitgebreider: De Klerck 1924, Grapperhaus 2005, blz. 50 e.v. en Het Financieele Dagblad 14 augustus 2019, De rijwielbelasting: veel gedonder per gulden, https://fd.nl/economie-politiek/1312417/de-rijwielbelasting-veel-gedonder-per-gulden (online, geraadpleegd op 3 september 2019).
Wet van 30 december 1926, tot het heffen van eene belasting en treffen van verdere voorzieningen ten behoeve van openbare verkeerswegen te land (Wegenbelastingwet 1926), Kamerstukken II 1926/26, 68, Stb. 1926, 464. De vroegere stukken zijn gedrukt onder Kamerstukken II 1925/26, 313. Zie ook: Pekelharing 1927 en Du Toy van Hees 1927. Bij de herziening in 1934 werd de naam gewijzigd in Motorrijtuigenbelastingwet (art. 5 Wet van 6 oktober 1934, tot instelling van een Verkeersfonds, Kamerstukken II 1933/34, 244, Stb. 1934, 534).
Wet van 25 oktober 1933, tot heffing van eene omzetbelasting (Omzetbelastingwet 1933), Kamerstukken II 1933/34, 68, Stb. 1933, 546. De vroegere stukken zijn gedrukt onder Kamerstukken II 1932/33, 305. Bij de NvW werd het wetsontwerp uitgebreid waarbij de bepalingen van het wetsvoorstel weeldeverteringsbelasting werden toegevoegd (NvW, Kamerstukken II 1933/34, 68, nr. 1). In het wetsvoorstel Weeldeverteringsbelasting was evenmin een geheimhoudingsbepaling opgenomen (Kamerstukken II 1925/26, 325, Kamerstukken II 1926/27, 69, Kamerstukken II 1927/28, 32 en Kamerstukken II 1932/33, 13. Het wetsvoorstel werd ingetrokken bij brief Minister van Financiën van 12 juni 1933, Kamerstukken II 1933, 11, nr. 1).
Ontwerp van wet tot heffing eener inkomstenbelasting (Wet op de Inkomstenbelasting 1908), Kamerstukken II 1906/07, 98, nr. 2. Het wetsvoorstel werd ingetrokken bij brief Minister van Financiën van 10 maart 1908, Kamerstukken II 1907/08, 22, nr. 22.
Ontwerp van wet tot heffing van een debietrecht op tabak, Kamerstukken II 1910/11, 217, nr. 2. Het wetsvoorstel werd ingetrokken bij brief Minister van Financiën van 17 september 1913, Kamerstukken II 1913/14, 16, nr. 16.
Ontwerp van wet tot heffing eener belasting op de goederen in de doode hand (Wetsvoorstel BDH 1916), Kamerstukken II 1915/16, 209, nr. 2. Het wetsvoorstel werd ingetrokken bij (ongedateerde) brief Minister van Financiën, Kamerstukken II 1918/19, 82, nr. 1.
Ontwerp van wet tot heffing eener belasting als bijdrage in de kosten van de vloot, inzonderheid voor zoover deze strekt tot verdediging van Nederlandsch-Indië (Wet op de Vlootbelasting 1916), Kamerstukken II 1915/16, 208, 2. Het wetsvoorstel werd ingetrokken bij brief Minister van Financiën van 24 oktober 1918, Kamerstukken II 1918/19, 55, nr. 1.
Ontwerp van wet tot heffing eener belasting als bijdrage in de kosten van de toekenning van ouderdomsrente (Wet op de Pensioenbelasting 1916), Kamerstukken II 1915/16, 206, nr. 2. Het wetsvoorstel werd ingetrokken bij brief Minister van Financiën van 24 oktober 1918, Kamerstukken II 1918/19, 55, nr. 1.
Wet van 22 maart 1917, tot heffing van het recht van zegel (Zegelwet 1917), Kamerstukken II 1916/17, 70, Stb. 1917, 244. De vroegere stukken zijn gedrukt onder Kamerstukken II 1915/16, 212. Zie uitgebreider: Adriani 1927, Ohmstede 1917, Van Steenbergen 1920 en De Wilde 1924.
De economische crisis in de jaren 30 van de vorige eeuw leidde tot het wetsvoorstel tot heffing van een crisisinkomstenbelasting waarbij aansluiting werd gezocht bij de systematiek van de Wet IB 1914 (Ontwerp van wet tot heffing van eene crisisinkomstenbelasting, Kamerstukken II 1933/34, 305, nr. 2. Het wetsvoorstel werd ingetrokken bij brief Minister van Financiën van 31 januari 1936, Kamerstukken II 1935/36, 68, nr. 1). Hoewel het wetsvoorstel werd ingetrokken, geeft het ontbreken van enige toelichting wel aan dat de geheimhouding in 1933 kennelijk al behoorlijk ‘ingeburgerd’ was. Vergelijkbaar is de Couponbelasting die in 1934 als aanvulling op de Wet op de DT 1917 werd ingevoerd waarbij de opbrengsten van effecten werden belast. In de memorie van toelichting noch in overige parlementaire stukken is de geheimhouding van art. 25 Couponbelasting (art. 23 Ontwerp van Wet) aan de orde gekomen (Wet van 29 december 1933 tot heffing van een Couponbelasting, Kamerstukken II 1933/34, 170, Stb. 1933, 780). Zie uitgebreider: Karmelk & Tekenbroek 1934 I.
Ontwerp van wet tot heffing van een nationale inkomstenen winstbelasting en wijziging van enkele belastingwetten (Wet Belastingherziening 1939), Kamerstukken II 1938/39, 403, nr. 2. Het wetsvoorstel werd ingetrokken bij brief Minister van Financiën van 6 oktober 1939, Kamerstukken II 1939/40, 74, nr. 1.
Zie uitgebreider: Hoofdstuk 7, par. 2.4.1.
In zowel art. 101 Organisatiebesluit (1904) als art. 86 Organisatiebesluit Belastingen (1920) was een identieke, algemene geheimhoudingsbepaling opgenomen. Uit de toelichting van Odendaal op het Organisatiebesluit Belastingen (1920) blijkt dat deze bepaling zag op onder meer ambtelijke voorschriften, contacten met de pers en informatie over personeel (Odendaal 1922, blz. 44-45).
Art. 59 ARAR. In 1988 werd de geheimhoudingsbepaling uit art. 59 ARAR overgeheveld naar art. 125a, derde lid, Ambtenarenwet 1929 (Wet van 20 april 1988 tot wijziging van de Ambtenarenwet 1929 ter zake van de uitoefening van grondrechten, Kamerstukken II 19 495, Stb. 1988, 229).
Art. 29 Ambtenarenreglement Belastingdienst (1931). In het besluit Minister van Financiën van 19 oktober 1987, nr. 587-22267, V-N 1987/2250, 5 wordt op art. 29 Ambtenarenreglement Belastingdienst (1931) gewezen.
Wet van 14 september 1961, houdende regelen inzake de belastingheffing met betrekking tot loterijen en andere kansspelen (Wet op de loterijbelasting), Kamerstukken II 1960/61, 5787, Stb. 1961, 313. De naam van de wet werd nadien gewijzigd in Wet op de Kansspelbelasting (Wet van 10 december 1964, houdende nadere regelen met betrekking tot kansspelen (Wet op de kansspelen), Kamerstukken II 1964/65, 7603, Stb. 1964, 483).
Zie: J. H. Drent, Bij de inwerkingtreding van de Algemene Wet inzake rijksbelastingen, WFR 1962/4623, Vakstudie Algemeen deel, Aanhef AWR, aant. 2 t/m 4 (online, geraadpleegd op 23 mei 2019) over de verschillende tijdstippen van de (gedeeltelijke) inwerkingtreding van de AWR en Douma e.a. 2019 (v/h De Blieck), blz. 4.
Koninklijk besluit van 20 oktober 1961 (inwerkingtreding AWR voor loterijbelasting), Stb. 1961, 332.
Uitvoeringsbeschikking Algemene wet inzake rijksbelastingen, besluit Staatssecretaris van Financiën van 30 oktober 1961, B1/18853, Stcrt. 1961, 211.
J.H. Christiaanse, De Algemene Wet inzake rijksbelastingen uit het dok, WFR 1961/4578 en WFR 1961/4579.
Niet alle onderzochte materiële belastingwetten voegen voor dit onderzoek evenveel toe. Zo zijn geen geheimhoudingsbepalingen opgenomen in de ingetrokken wetsvoorstellen Wet op het weergeld 1916,1 Wet op de voornamenbelasting 1916,2 Wet op de plaatskaartenbelasting 19163 en de Wet tot heffing van een reisbelasting.4 Andere voorbeelden zijn de Speelkaartenwet 1919,5 de Rijwielbelastingwet 1924,6 de Wegenbelastingwet 19267 en de Omzetbelastingwet 1933.8 In deze belastingwetten waren evenmin geheimhoudingsbepalingen opgenomen. De hiervóór genoemde (voorgestelde) belastingwetten zijn in zoverre relevant omdat ze inzicht geven in de destijds heersende gedachte dat geheimhouding kennelijk niet voor alle belastingwetten noodzakelijk was. Andere ingetrokken wetsvoorstellen, zoals de Wet IB 1908,9 het debietrecht op tabak,10 de Wet BDH 1916,11 de Wet op de Vlootbelasting 1916,12 en de Wet op de Pensioenbelasting 1916,13 of bijvoorbeeld de Zegelwet 191714 – waarin geen geheimhoudingsbepaling voorkwam – zijn daarentegen wel relevant. Ze geven niet alleen het tijdsbeeld weer, maar bevatten soms ook ontbrekende tussenschakels waardoor latere belastingwetgeving beter kan worden geduid.15 Het Ontwerp van wet Belastingherziening 1939 bevatte meerdere belastingen en was te veelomvattend.16 Het werd ingetrokken met de bedoeling deze in separate wetsvoorstellen opnieuw in dienen. Door de Duitse inval in mei 1940 is het daar nooit meer van gekomen. Gezien het belang voor de positie van de inhoudingsplichtige wordt dit wetsvoorstel juist wel behandeld.17 Naast de materiële belastingwetten waren algemene geheimhoudingsbepalingen opgenomen in bijvoorbeeld het Organisatiebesluit (1904), het Organisatiebesluit Belastingen (1920),18 het ARAR19 en het Ambtenarenreglement Belastingdienst (1931).20 Deze geheimhoudingsbepalingen zagen veelal niet specifiek op fiscale gegevens en zijn om die reden dan ook niet verder uitgewerkt. Het pre-AWR-tijdperk kwam met de inwerkingtreding per 1 november 1961 van de Wet op de loterijbelasting ten einde.21 Hoewel de AWR grotendeels op 1 oktober 1962 in werking trad,22 werd de AWR al geheel van toepassing verklaard op de Wet op de loterijbelasting.23 In de Uitvoeringsbeschikking AWR werd de delegatiebepaling van (destijds) art. 67, tweede lid, AWR niet uitgewerkt.24 Christiaanse geeft aan dat alleen de delegatiebepalingen – welke van direct praktisch belang voor de loterijbelasting waren – werden uitgewerkt.25