Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort
Einde inhoudsopgave
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/8.10.4.4:8.10.4.4 Soxx
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/8.10.4.4
8.10.4.4 Soxx
Documentgegevens:
mr. drs. C.M. Harmsen , datum 01-07-2019
- Datum
01-07-2019
- Auteur
mr. drs. C.M. Harmsen
- JCDI
JCDI:ADS180162:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Gerechtshof ’s-Gravenhage 22 augustus 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:2317, JOR 2017/317, m.nt. C.M. Harmsen (Soxx).
Gerechtshof ’s-Gravenhage 22 augustus 2017, r.o. 4.9, ECLI:NL:GHDHA:2017:2317, JOR 2017/317, m.nt. C.M. Harmsen (Soxx).
J.B. Huizink, De administratieplicht van art. 2:10 BW voor groepsmaatschappijen, TvI 2017/16.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ook het Gerechtshof ’s-Gravenhage heeft moeten oordelen over de reikwijdte van de administratieplicht van het groepshoofd.1 Hier ging het om Soxx Holding N.V. (Soxx) en haar 85%-dochtervennootschap TAG Holding B.V. (TAG) en diverse dochtervennootschappen van TAG. Het gerechtshof overweegt dat Soxx een houdstervennootschap was, waarmee wordt bedoeld dat Soxx een vennootschap was die zich (nagenoeg) geheel bezig hield met het beheer en de financiering van groepsmaatschappen en hun deelnemingen. Met betrekking tot de stelling van de curator van Soxx dat de administratie van Soxx niet voldoet omdat deze geen inzicht biedt in de vermogenspositie van haar dochterondernemingen, overweegt het gerechtshof:2
“Het hof volgt de curator niet in zijn verwijt dat de administratie van Soxx reeds niet voldoet omdat deze geen inzicht biedt in de vermogenspositie van haar dochteronderneming(en). Het stellen van een dergelijke eis aan de inhoud van de boekhouding van een moedermaatschappij kan niet (zonder meer) gebaseerd worden op het bepaalde in art. 2:10 BW.”
Het Gerechtshof ’s-Gravenhage oordeelt langs dezelfde lijn als het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch inzake Aino. De administratie van het groepshoofd behoeft geen inzicht te bieden in de vermogenspositie van de dochtervennootschappen. Het Gerechtshof ’s-Gravenhage lijkt in de formulering wel een mogelijkheid te willen openhouden voor een in een specifiek geval andersluidend oordeel. Anders zijn de woorden “zonder meer” moeilijk te duiden. Voor een in een concreet geval andersluidend oordeel zal dan wel meer gesteld moeten worden dan in het geval van Soxx, waar de rol van de moedervennootschap beperkter werd omschreven (“louter een houdstermaatschappij”) dan in het geval van Van Gils en Landis, waarbij werd aangevoerd dat het bestuur van het groepshoofd daadwerkelijk de concernleiding voerde.
Het gerechtshof geeft ook direct een alternatieve route voor aansprakelijkheid van het bestuur van een moedervennootschap dat onvoldoende zicht heeft op de financiële gang van zaken bij de groepsmaatschappij. Namelijk aansprakelijkheid op grond van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling als bedoeld in artikel 2:138 lid 1/2:248 lid 1 BW, omdat van het bestuur van een vennootschap dat aan het hoofd staat en leiding geeft aan een groep, verlangd kan worden dat het voldoende inzicht heeft in de financiële gang van zaken bij de groepsmaatschappijen. Eenzelfde alternatieve route is voorgesteld door Huizink.3