Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/6.3.2.2
6.3.2.2 Waardeverhouding en de functie van pressiemiddel
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950312:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/57.
Zie bijv. Rb. Amsterdam (vzr.) 25 januari 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ1993, r.o. 20 (“KAV ervaart de opschorting van de huurpenningen [totaal ca. € 45.000, r.o. 1.20 en 9] als een ongeoorloofde druk om een lage overnameprijs af te dwingen. Als aan Ferro Verde BV een opschortingsrecht toekomt is dat vanuit juridisch perspectief een op zichzelf geoorloofde druk om te bewerkstelligen dat KAV haar deel van de contractuele verplichtingen (alsnog) correct nakomt. Mede gelet op de door KAV gestelde waarde van de trailers [ca. tussen € 22.500 en € 35.000, r.o. 1.11] is het opgeschorte bedrag ook (net) nog niet disproportioneel.”).
Zie bijv. Rb. Rotterdam 1 juni 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:5320, r.o. 4.12-4.13, die oordeelde dat de opschorting van de betaling van een totale factuurwaarde van € 86.688,98 in verband met een vordering ter waarde van € 68.419,74 in de gegeven omstandigheden, waaronder een kennelijk lage nakomingsbereidheid, niet disproportioneel of onredelijk was.
Hof Arnhem-Leeuwarden 27 september 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:8351, r.o. 7.22.
Hof Arnhem-Leeuwarden 27 september 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:8351, r.o. 7.23.
De schuldenaar kan bevoegd zijn de nakoming van een prestatie met een hogere waarde dan zijn vordering op te schorten.1 Daardoor kan zijn wederpartij een stevigere prikkel tot nakoming voelen dan wanneer de schuldenaar slechts tot opschorting van de betaling tot het gemeenschappelijk beloop van de wederzijdse verbintenissen bevoegd zou zijn.2 Als de schuldenaar alleen tot opschorting van de betaling tot het gemeenschappelijk beloop van de verbintenissen over en weer bevoegd zou zijn, zal hij zich waarschijnlijk ook niet vanwege zijn opschortingsbevoegdheid verzetten tegen een verrekeningsverklaring op grond van art. 6:132 BW. Zo beschouwd, ligt de evenredigheid of proportionaliteit van de uitoefening van het algemene opschortingsrecht, in het geval waarin de verbintenis een hogere waarde heeft dan de vordering, op het omslagpunt waarop opschorting van betaling van een nog groter deel van het verschil tussen de waarde van de verbintenissen over en weer, niet zal leiden tot een door de wederpartij steviger gevoelde pressie tot nakoming. Waar dit omslagpunt ligt, kan tot op zekere hoogte objectief worden vastgesteld, maar zal ook afhankelijk zijn van de omstandigheden van het geval, waaronder omstandigheden die de wederpartij betreffen, zoals haar vermogenspositie en nakomingsbereidheid. In hoeverre aan dergelijke omstandigheden betekenis kan worden toegekend bij de beoordeling van de uitoefening van een opschortingsbevoegdheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, zal ook afhankelijk zijn van de mate waarin de schuldenaar met die omstandigheden bekend is.3 Zie in dit verband bijvoorbeeld het geval waarin partijen vaker zaken met elkaar hebben gedaan en de schuldenaar zijn verbintenissen tot betaling van koopsommen van in totaal € 93.154,28 opschortte in verband met een vordering tot betaling van schadevergoeding van € 17.845,62 uit hoofde van wanprestatie onder dezelfde koopovereenkomsten. Het hof oordeelde dat de opschorting van het totaalbedrag aan koopsommen in het licht van de waardeverhouding tussen de verbintenissen over en weer ‘disproportioneel’ is en dat de schuldenaar zich ten tijde van de uitoefening van zijn opschortingsrecht ‘onvoldoende rekenschap [heeft] gegeven van de belangen van [zijn wederpartij] bij voortvarende betaling van de facturen en de afhandeling van het geschil’.4 Vervolgens oordeelde het hof dat de schuldenaar ‘in redelijkheid en billijkheid’ heeft kunnen besluiten de betaling van de eerste twee facturen ter waarde van in totaal € 19.943,83 op te schorten. Het eveneens opschorten van de betaling van de overige facturen was naar het oordeel van het hof ‘disproportioneel’.5