Einde inhoudsopgave
Het systeem van sanctionering van fiscale fraude (FM nr. 166) 2021/7.2.3.3
7.2.3.3 Het alcoholslotprogramma-arrest van de Hoge Raad
Dr. C. Hofman, datum 01-04-2021
- Datum
01-04-2021
- Auteur
Dr. C. Hofman
- JCDI
JCDI:ADS270231:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:434, NJ 2015/256, onderdeel 3.
HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:434, NJ 2015/256.
Zo deed ook de ABRvS op 4 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:622, AB 2015/160.
HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:434, NJ 2015/256, r.o. 4.4.
Crijns en Van Emmerik 2018b, onderdeel 2.
Crijns en Van Emmerik 2018b, onderdeel 2.
Verschaeren 2017, onderdeel 4.
Crijns en Van Emmerik 2018a, onderdeel 3.2.
HR 12 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:613.
HR 12 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3122, NJ 2018/73.
HR 16 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:23 en ECLI:NL:HR:2018:46 en ABRvS 20 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:39.
HR 12 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3122, NJ 2018/73 (strafkamer) en HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:310, BNB 2017/102 (civiele kamer).
HR 12 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3122, NJ 2018/73.
Crijns en Van Emmerik 2018a, onderdeel 3.2.
Tot slot wordt in het licht van de regulering van cumulatie van bestraffende procedures nog een nationale jurisprudentiële complexiteit besproken.
In het asp.-arrest van 3 maart 2015, heeft de Hoge Raad het ne bis in idem-beginsel tot beginsel van behoorlijke procesorde verheven. Via deze zijdeur heeft de Hoge Raad de mogelijkheid van dubbele vervolging ten aanzien van eenzelfde feit in dit concrete geval ingeperkt, zonder de oplegging van het asp. als criminal charge te hoeven aanmerken.
Het betreft bestuurlijke maatregelen, die door het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen jegens een bestuurder werden opgelegd naar aanleiding van de overtreding van art. 8 WVW (het verbod op rijden onder invloed of weigering medewerking te verlenen aan een blaastest). Het ging om de onherroepelijke ongeldigverklaring van het rijbewijs voor de duur van vijf jaar, waarna betrokkene voor een periode van twee jaar uitsluitend als bestuurder van een auto aan het verkeer mocht worden deelgenomen in een personenauto waarin een alcoholslot was geïnstalleerd. De kosten voor deelname aan het asp. bedroegen bovendien ongeveer 5000 euro en kwamen voor rekening van de betrokken.1 Tót 2015 konden dergelijke maatregelen cumuleren met strafrechtelijke vervolging, vanwege het ontbreken van een punitief karakter. In 2015 ging de Hoge Raad ‘om’ door te oordelen dat strafrechtelijke vervolging na de bestuurlijke maatregelen in strijd was met de beginselen van een goede procesorde.2
Van belang is dat de Hoge Raad oordeelde dat art. 68 WvSr niet van toepassing is3, omdat geen sprake was van verscheidene onherroepelijke beslissingen van de strafrechter. Daarmee is volgens de Hoge Raad logischerwijs niet van tafel de conclusie dat de procedure die leidt tot oplegging van het asp. en de strafrechtelijke vervolging hun oorsprong vinden in hetzelfde feit. De aan de betrokkene verweten gedraging is immers identiek, te weten rijden onder invloed, terwijl de beschermde rechtsgoederen in hoge mate vergelijkbaar zijn, namelijk de bevordering van de verkeersveiligheid. Verder is het zo dat de gevolgen van oplegging van het asp. en de van het instellen van strafvervolging te verwachten strafrechtelijke sancties in hoge mate overeenkomen, nu beide voor betrokkene kunnen leiden tot een ingrijpende beperking van de rijbevoegdheid en oplegging van een wezenlijke betalingsverplichting. De Hoge Raad oordeelt dan ook dat hier sprake is van een uitzonderlijke situatie die op gespannen voet staat met het aan art. 68 WvSr ten grondslag liggende beginsel dat iemand niet twee keer kan worden vervolgd en bestraft voor het begaan van hetzelfde feit.4 Hiermee geeft de Hoge Raad aan dat het niet de bedoeling is dat dit oordeel wordt geëxtrapoleerd naar soortgelijke situaties. In feite meent de Hoge Raad dat het handelen van het OM niet in strijd is met art. 68 WvSr, maar wel dusdanige strijd oplevert met de gedachte achter dit principe, dat wegens strijd met de beginselen van goede procesorde niet-ontvankelijkheid kon worden uitgesproken. Crijns en Van Emmerik schrijven:
“Om tot deze uitkomst te komen moest de Hoge Raad echter wel eerst het verbod van dubbele bestraffing tot een van de beginselen van een goede procesorde ‘verheffen’, omdat een ander aangrijpingspunt om het verbod van dubbele bestraffing op onderhavige feitenconstellatie ‘los te laten’ in wezen ontbrak.”5
NB: art. 68 WvSr was niet van toepassing, maar ook art. 4 van het 7de Protocol bij het EVRM en art. 50 van het EU-Handvest boden geen soelaas: zoals al uitgelegd in paragraaf 5.2.6.5.en 5.2.6.6. heeft Nederland het protocol immers niet geratificeerd, en er is geen sprake van de toepassing van Unierecht. Crijns en Van Emmerik menen dat het ne bis in idem-beginsel, doordat het niet langer afhankelijk is van de toepasselijkheid van voornoemde bepalingen, in reikwijdte lijkt te zijn vergroot.6
Verschaeren meent dat uit het arrest van de Hoge Raad weliswaar blijkt dat de samenloop van oplegging van het asp. en strafrechtelijke vervolging niet geoorloofd is, maar dat daarmee nog geen duidelijkheid is gecreëerd met betrekking tot de vraag hoe in de praktijk moet worden omgegaan met de samenloop van strafrechtelijke vervolging en andere punitieve bestuursrechtelijke sancties.7 Ook volgens Crijns en Van Emmerik zorgde het feit dat de Hoge Raad tot het beschreven oordeel kwam zonder uit te spreken dat het opleggen van het asp. kon of moest worden beschouwd als een criminal charge ervoor dat de deur geopend leek om andere sancties en/of procedures waarvan het punitieve karakter discutabel was onder de reikwijdte van de bescherming ne bis in idem-beginsel te brengen.8 In de volgende gevallen achtte de Hoge Raad een schending van het ne bis in idem-verbod niet aanwezig, omdat de oplegging van bestuursrechtelijke maatregelen niet als criminal charge was aan te merken:
Oplegging van een stadionverbod en een geldboete door de Koninklijke Nederlandse Voetbal Bond.9
De combinatie van een bestuursrechtelijk huisverbod met een strafrechtelijke vervolging.10
De combinatie van een Educatieve Maatregel Alcohol en Verkeer (hierna: EMA) met strafvervolging.11
Het verbeuren van een dwangsom en een strafvervolging.12 Wel werd overigens uitdrukkelijk aangegeven dat de strafrechter bij de strafoplegging rekening kan houden met het feit dat reeds een dwangsom is verbeurd.13
Volgens Crijns en Van Emmerik bestaan met andere woorden betrekkelijk ruime mogelijkheden tot het elkaar opvolgen van bestuurlijke en strafrechtelijke bestraffing ten aanzien van eenzelfde feitencomplex.14