Einde inhoudsopgave
Pandrecht op aandelen (O&R nr. 140) 2023/3.5.2
3.5.2 Toekenning
mr. T. Hutten, datum 01-05-2023
- Datum
01-05-2023
- Auteur
mr. T. Hutten
- JCDI
JCDI:ADS706211:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Insolventierecht (V)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover Schreurs 2013. Een pandhouder is daartoe onder omstandigheden ook al bevoegd als hij certificaathoudersrechten heeft.
Zie HR 10 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC1234 (Ogem).
Zie bijv. Gerechtshof Amsterdam (OK) 14 april 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1127 (Apotheek Schiemond), waarbij mogelijk sprake was van het leeghalen van de vennootschap waarvan de aandelen waren verpand, en Gerechtshof Amsterdam (OK) 29 oktober 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BY5618 (Nijl Aircraft Docking). Zie voor een geval buiten de context van bancaire financiering Gerechtshof Amsterdam (OK) 28 juli 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:3006(‘t Pierement Antiek en Beheer).
Zie over een enquêteverzoek met betrekking tot het handelen van een pandhouder §3.7.4.
Zie bijv. Rb. Den Haag 14 juli 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:8011, JOR 2023/5 m.nt. Hutten.
Struycken 2007, §6.4 en 6.5.
Vgl. Van Kampen 2019, p. 315. Anders Huizink 2014, p. 9-10.
108. Bij en na de verpanding van aandelen kunnen ook andere zeggenschapsrechten dan het stemrecht en certificaathoudersrechten worden toegekend aan de pandhouder. Zo kan bij overeenkomst met de vennootschap een pandhouder het recht worden gegeven een enquête te verzoeken (art. 2:346 lid 1 onderdeel e BW).1 Dit kan nuttig zijn als de pandhouder geen of onvoldoende certificaathoudersrechten heeft om een enquête te verzoeken. Als de vennootschap bij de pandakte partij is, dan kan deze overeenkomst daarin worden neergelegd. Het recht op enquête geeft de pandhouder onder andere de mogelijkheid om – zonder dat hij het stemrecht hoeft uit te oefenen of kan uitoefenen – aan te sturen op de benoeming van een bestuurder en kan het bijdragen aan de opening van zaken en vaststelling van de verantwoordelijkheid voor mogelijk blijkend wanbeleid.2 Het eerste kan nuttig zijn in een fase waarin de financieringsrelatie ‘intensief wordt beheerd’, en de vennootschap niet wil meewerken aan zo’n benoeming.3 Het tweede is vooral nuttig ‘achteraf’, bij het afwikkelen van de financieringsrelatie.4
Verder kan de pandhouder in de statuten extra zeggenschapsrechten worden verleend. Een voorbeeld daarvan is het recht om zelfstandig een vergadering bijeen te roepen (art. 2:109/219 BW). Het uitgangspunt is dat hiertoe het bestuur en de raad van commissarissen zijn bevoegd, maar deze bevoegdheid kan statutair ook aan anderen worden verleend. Ontbeert een pandhouder het recht om een vergadering bijeen te roepen, dan zal hij – ondanks zijn stemgerechtigdheid – voor de besluitvorming ter vergadering afhankelijk zijn van de bereidwilligheid daartoe van het bestuur of de raad van commissarissen. Wanneer zij dat weigeren, dan resteert onder omstandigheden enkel een gang naar de voorzieningenrechter (art. 2:110/220 BW).5
109. Een vraag die overblijft, is of de instemmingsrechten van een aandeelhouder-pandgever kunnen worden toegekend aan een pandhouder. Het antwoord daarop is onzeker. Voor zover de wet geen dwingendrechtelijke regeling geeft, hebben de pandgever en de pandhouder in beginsel de vrijheid om een andere verdeling te treffen.6 Het is daarom de vraag of de instemmingsrechten van dwingend recht zijn. In algemene zin geldt dat van de bepalingen van Boek 2 BW slechts kan worden afgeweken, voor zover dat uit de wet blijkt (art. 2:25 BW). Uit de wet blijkt niet van de mogelijkheid om deze aan de pandhouder toe te kennen. Aan de andere kant lijkt een instemmingsrecht op stemrecht, en kan het stemrecht worden toegekend aan de pandhouder (art. 2:89/198 lid 3 BW). Vergelijkt men instemmingsrechten echter met de zeggenschapsrechten van de pandgever die overblijven na stemrechtovergang, dan valt het op dat die rechten niet aan de pandgever kunnen worden toebedeeld. De pandhouder verkrijgt op grond van de wet eigen rechten (art. 2:89/198 lid 4 BW). Sterker nog, de pandhouder heeft in specifieke gevallen eigen instemmingsrechten gekregen (§3.5.1). Gelet hierop past het mijns inziens het beste bij de wettelijke regeling om aan te nemen dat instemmingsrechten niet aan de pandhouder kunnen worden toebedeeld.7