Antichresis en pandgebruik
Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/4.1.4:4.1.4 De verpanding van Zevenbergen
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/4.1.4
4.1.4 De verpanding van Zevenbergen
Documentgegevens:
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264429:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Van Bijnkershoek, OT, nr. 1545.
§4.3.4. De aansprakelijkheid van de pandgebruiker jegens een renteheffer wijkt af van de onderwerpen die in dit proefschrift aan de orde komen. Deze casus is echter een treffende illustratie van het recht van pandgebruik in het Rooms-Hollandse recht.
§4.3.7; §4.4.2.
§4.3.6.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Graaf Hoogstraten had verschillende landerijen bij Zevenbergen in zijn vermogen. Omdat hij in financiële moeilijkheden verkeerde, leende hij een bedrag van fl. 45.798 van een schuldeiser die in de zaak werd aangeduid als Lucius Titius. Tot zekerheid van deze schuld vestigde Hoogstraten een recht van rentepandgebruik op zijn landerijen te Zevenbergen. Op de landerijen rustten grondrenten die ouder waren dan het gevestigde recht van pandgebruik. Partijen spraken af dat de pandgebruiker aansprakelijk was voor deze grondrenten. Overige lasten kwamen voor rekening van Hoogstraten. Deze transactie vond plaats in 1621. Enige tijd later is Hoogstraten spoorloos verdwenen. Het ligt voor de hand dat hij insolvent was. Toch ging de pandgebruiker door met de uitoefening van zijn recht van pandgebruik; hij ging niet over tot executie.
In 1627 vaardigden de Staten van Holland een bevel uit tot herdijking van Zevenbergen in verband met een dreigende overstroming. Hoewel de pandgebruiker en Hoogstraten overeen waren gekomen dat alle kosten ten behoeve van het onderpand voor rekening van Hoogstraten zouden komen, was de pandgebruiker door afwezigheid van Hoogstraten toch gedwongen te betalen voor de herdijking van Zevenbergen. Kennelijk kon hij zich tegenover de Staten niet beroepen op zijn afspraak met Hoogstraten. De kosten van de herdijking bedroegen fl. 13.335.
Op enig moment weigerde de pandgebruiker de grondrenten te betalen aan de renteheffers. Daarom werd hij door de rechter veroordeeld de grondrenten te voldoen. Toen de pandgebruiker niet aan deze veroordeling voldeed, gingen de renteheffers omstreeks 1700 over tot de executie van de landerijen te Zevenbergen. De executie geschiedde tegen de zin van de pandgebruiker. Hij verzette zich voor de Hoge Raad van Holland, Zeeland en West-Friesland tegen de executie. De Hoge Raad oordeelde dat dit verzet ongegrond was.
Het vervolg van het arrest ging over de verdeling van de executie-opbrengst. De executie-opbrengst was 16.000 florijnen, ongeveer een derde van het bedrag van de gesecureerde vordering. De vraag was wie gerechtigd was tot de executie-opbrengst: de ouder gerechtigde renteheffers of de jonger gerechtigde pandgebruiker. De Hoge Raad oordeelde dat de renteheffers zich voor de kosten van executie uit de opbrengst mochten voldoen. Ten aanzien van de vorderingen waarvoor zij hadden geëxecuteerd, moesten zij de pandgebruiker echter voor zich dulden. De pandgebruiker had kosten tot behoud van het onderpand gemaakt omdat hij had betaald voor de herdijking van Zevenbergen. Deze kosten bedroegen fl. 13.335. Voorts had de pandgebruiker tot het jaar 1682 nog andere, niet gespecificeerde kosten tot behoud gemaakt van in totaal fl. 3.192. De kosten tot behoud die de pandgebruiker had gemaakt, bedroegen dus meer dan de executie-opbrengst van Zevenbergen. De pandgebruiker mocht zich met voorrang op de renteheffers voor deze kosten tot behoud uit de executie-opbrengst voldoen. Voor het overige werd geen rangregeling opgemaakt, omdat die vorderingen niet meer op de verkoopprijs verhaald konden worden.
De slotsom was dus dat de executerende renteheffers zich als eerste uit de executie-opbrengst mochten voldoen voor de kosten van executie. De pandgebruiker had recht op het restant van de executie-opbrengst voor de kosten tot behoud. De pandgebruiker was echter wel aansprakelijk jegens de renteheffers om hun grondrenten te voldoen.1
In het vervolg van dit hoofdstuk ga ik in het bijzonder in op de aansprakelijkheid van de pandgebruiker jegens de oudere renteheffers2, het feit dat de pandgebruiker zijn recht bijna tachtig jaar had kunnen uitoefenen3 en de kosten die de pandgebruiker had gemaakt voor de herdijking van Zevenbergen.4