Einde inhoudsopgave
De verbintenisrechtelijke bescherming van de kleine opdrachtnemer (MSR nr. 85) 2023/3.5.1
3.5.1 De opdrachtnemer lijdt schade
N.M.Q. van der Neut, datum 22-09-2023
- Datum
22-09-2023
- Auteur
N.M.Q. van der Neut
- JCDI
JCDI:ADS855365:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wat een behoorlijke verzekering is, moet van geval tot geval worden vastgesteld met de inachtneming van alle omstandigheden.
De verzekeringsverplicht ziet op de schade die de werknemer lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden als deelnemer aan het verkeer indien hij betrokken is bij een ongeval (i) als bestuurder van een motorvoertuig, (ii) als fietser (zowel een eenzijdig fietsongeval als een ongeval waarbij één of meerdere voertuigen zijn betrokken) én (iii) als voetganger waarbij één of meerdere voertuigen zijn betrokken (HR 1 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB4767 (Kooiker/Taxicentrale Nijverdal); HR 1 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB6175 (Maasman/Akzo Nobel); HR 12 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3129 (Maatzorg/Van der Graaf); HR 11 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5215 (TNT Post/Wijenberg)).
Bij deze bespreking ga ik niet in op de bescherming die in zo’n geval kan voortvloeien uit het reguliere aansprakelijkheidsrecht (art. 6:162 BW) (zie bijv. hof Arnhem 23 september 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BH1948).
Het leek erop dat de HR zich in 2021 over deze vraag zou buigen, maar de belangrijkste klacht van de betrokkene zag in deze zaak op een ander punt en dat punt kon niet tot de vernietiging van het arrest van het hof leiden, waardoor de zaak is afgedaan op art. 81 RO (HR 17 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1267 (Vivat)). Overigens is een soortgelijke vraag t.a.v. de vrijwilliger ook afgedaan op art. 81 RO (HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1953).
Zie voor een ontkennend antwoord Gouweloos, JA 2013/154; Van Dijke, VR 2016/182; concl. A-G Hartlief, ECLI:NL:PHR:2021:153 voor HR 17 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1267 (Vivat); Oskam, TVP 2021/4; Van Tiggele-van der Velde, AV&S 2022/17; Opdam, TRA 2022/78; zie voor een bevestigend antwoord Hiel, JA 2018/33; Vegter, TRA 2021/96; Bouwman & De Jong, AV&S 2021/3; Bosch & Hebly, ArA 2022/2.1 en in zekere zin ook Van Dijke & Van Emden, JA 2020/37, al kunnen zij zich niet gemakkelijk een concrete situatie voorstellen waarin de aard van de overeenkomst van opdracht een ongeschreven verzekeringsplicht in het leven roept tegenover de opdrachtnemer.
Ik streef bij deze bespreking geen volledigheid na. Zo ga ik niet in op het argument dat meerdere (rechts)personen kunnen worden aangesproken (concl. A-G Hartlief, ECLI:NL:PHR:2021:153 voor HR 17 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1267 (Vivat); Oskam, TVP 2021/4; Lauxtermann, AV&S 2022/22), omdat ik uitga van een ‘tweehoeksrelatie’. Zie voor een weerlegging van dit argument Bosch & Hebly, ArA 2022/2.1.
Van Dijke, VR 2016/182; concl. A-G Hartlief, ECLI:NL:PHR:2021:153 voor HR 17 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1267 (Vivat); Oskam, TVP 2021/4; Van Tiggele-van der Velde, AV&S 2022/17, allen onder verwijzing naar HR 11 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5215 (TNT Post/Wijenberg); HR 11 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5223 (De Rooyse Wissel).
Vegter, TRA 2021/96; Bosch & Hebly, ArA 2022/2.1.
Concl. A-G Hartlief, ECLI:NL:PHR:2021:153 voor HR 17 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1267 (Vivat); Oskam, TVP 2021/4.
Zie ook Vegter, TRA 2021/96; Bosch & Hebly, ArA 2022/2.1.
Lange tijd was de vraag of de verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering op korte termijn zou worden ingevoerd. De prognose was namelijk dat zo’n verzekering pas ‘tussen 2027 en 2029’ kan ingaan (Kamerstukken II 2021/22, 29 544, 1112, p. 28). Inmiddels heeft Nederland (in het kader van het Europese Herstel- en Veerkrachtplan) zich eraan gecommitteerd in het eerste kwartaal van 2025 een wet in het Staatsblad te publiceren die een verplichte verzekering tegen arbeidsongeschiktheid voor zelfstandigen regelt (Kamerstukken II 2021/22, 31 311, 246, p. 7). Ten tijde van dit schrijven (1 januari 2023) is nog niet bekend hoe deze verzekering eruit komt te zien.
Concl. A-G Hartlief, ECLI:NL:PHR:2021:153 voor HR 17 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1267 (Vivat); Oskam, TVP 2021/4. Vegter pareert dit argument door te stellen dat er al heel lang aandacht wordt gevraagd voor o.a. opdrachtnemers, maar dat concrete maatregelen van welke regering dan ook tot nog toe zijn uitgebleven (Vegter, TRA 2021/96).
Opdam, TRA 2022/78.
Daarmee is ook meteen het argument getackeld dat art. 7:611 BW geen vierde lid kent, zoals art. 7:658 BW dat wel heeft (dit argument is o.a. aangehaald door Gouweloos, JA 2013/154; Hiel, JA 2018/33; Oskam, TVP 2021/4).
Daarmee zeg ik niet dat art. 7:611 en 6:248 BW in alle gevallen parallel lopen (Kamerstukken II 1993/94, 23 438, 3, p. 15).
Het hof gaf met de woorden ‘een opdrachtnemer die niet in een arbeidsrechtelijke verhouding staat tot die opdrachtgever’ uitdrukkelijk aan dat hij niet alleen de schijnzelfstandige voor ogen heeft.
Hof Arnhem-Leeuwarden 10 december 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:10566, welk arrest de HR uiteindelijk afdeed op art. 81 RO. Ook in rb. Midden-Nederland 17 juli 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:2855 achtte de rechtbank een analoge toepassing van art. 7:611 BW op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid mogelijk.
HR 23 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0616 (Davelaar/Allspan).
Ik doel op de volgende overweging: “Een van de bijzondere omstandigheden, zoals hiervoor bedoeld, die het hof in dat kader van wezenlijk belang acht is, dat de zelfstandig ondernemer, die werkzaamheden heeft verricht in de uitoefening van het beroep of bedrijf van degene in opdracht van wie de arbeid is verricht, zich in een vergelijkbare positie bevindt als een werknemer die werkzaam is in het bedrijf van de opdrachtgever.”
Hierin is de ratio van art. 7:658 lid 4 BW te lezen: de keuzevrijheid van de opdrachtgever om het werk te laten verrichten door (eigen) werknemers of door opdrachtnemers, behoort niet van invloed te zijn op de rechtspositie van degene die het werk verricht en betrokken raakt bij een bedrijfsongeval of anderszins schade oploopt (Kamerstukken II 1997/98, 25 263, 14, p. 6; Kamerstukken II 1998/99, 26 257, 7, p. 15; Kamerstukken I 1998/99, 26 257, 110b, p. 7). Anders zou tevens de onwenselijke situatie kunnen ontstaan dat de opdrachtgever de werkzaamheden uitbesteedt aan opdrachtnemers om arbeidsrechtelijke verplichtingen te ontlopen (zie par. 3.3.1).
Bouwman & De Jong, AV&S 2021/3; Vegter, TRA 2021/96.
Dit is wat kort door de bocht, aangezien de opdrachtnemer ook een verzekering zou kunnen afsluiten waarbij mede ongevallen bij het gebruik van andermans vervoersmiddelen gedekt zijn, maar het gaat mij om het schetsen van wat algemene aanknopingspunten en niet zozeer om een volledig genuanceerd beeld.
Daarbij kan o.a. relevant zijn of de opdrachtnemer ter uitvoering van de opdracht de keuze had om de werkzaamheden met zijn eigen vervoersmiddel uit te voeren of met dat van de opdrachtgever. Als het vervoersmiddel van de opdrachtgever is verzekerd en de opdrachtnemer is hiervan op de hoogte, maar hij kiest er toch voor om de opdracht uit te voeren met zijn eigen vervoersmiddel, zal een verzekeringsplicht veelal ontbreken.
Houweling, JIN 2012/72.
Bouwman & De Jong, AV&S 2021/3.
Overigens is het denkbaar dat deze opdrachtnemer in zijn bewijspositie wordt versterkt door de reflexwerking van de ‘grijze lijst’ (zie uitgebreider Schelhaas 2018, p. 24 e.v.; Loos 2018, p. 222), waarmee het vermoeden zou worden gevestigd dat dit beding onredelijk bezwarend is (art. 6:237 sub f BW).
In het geval dat de werknemer in het verkeer schade lijdt, kan hij in principe geen beroep doen op artikel 7:658 BW, nu een zorgplichtschending ontbreekt. In die situatie brengt het goed werkgeverschap ex artikel 7:611 BW aanvullende bescherming voor de werknemer mee. De werkgever is namelijk verplicht de werknemer behoorlijk te verzekeren voor verkeersongevallen.1 Een schending van die plicht geeft de werknemer een aanspraak op een vergoeding van het bedrag dat hij zou hebben gekregen als de werkgever wel een behoorlijke verzekering had afgesloten.2 De vraag of de opdrachtgever onder omstandigheden een verzekeringsplicht heeft voor de opdrachtnemer en laatstgenoemde dus de bescherming kan genieten die artikel 7:611 BW de werknemer aanvullend op artikel 7:658 BW biedt, staat in het vervolg van deze paragraaf centraal.3 Deze discussie is nog altijd niet beslecht,4 terwijl de rechtsliteratuur verdeeldheid toont.5 Ik ben van mening dat het antwoord op deze vraag onder omstandigheden bevestigend moet luiden en zal dat hierna verder toelichten.
Tegenstanders van een analoge toepassing van de verzekeringsplicht op de verhouding opdrachtgever-opdrachtnemer wijzen op verschillende argumenten, die ik hierna kort zal bespreken en direct zal weerleggen of nuanceren.6 Ten eerste heeft de Hoge Raad volgens tegenstanders paal en perk gesteld aan een verdere uitbreiding van de verzekeringsplicht ex artikel 7:611 BW.7 Dit argument overtuigt mij niet, omdat het naar analogie toepassen van de verzekeringsplicht op de opdrachtnemer niet zozeer een inhoudelijke uitbreiding van de verzekeringsplicht inhoudt (materiële reikwijdte), maar veel meer ziet op wie onder het beschermingsbereik valt (personele reikwijdte),8 waarover de Hoge Raad zich niet heeft uitgelaten.
Ten tweede menen tegenstanders van een analoge toepassing van de verzekeringsplicht op de verhouding opdrachtgever-opdrachtnemer dat het doortrekken van die plicht geen structurele bescherming voor opdrachtnemers oplevert, maar bescherming die sterk afhangt van de omstandigheden van het geval.9 De bescherming van de opdrachtnemer is wel vaker afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zowel binnen het thema aansprakelijkheid, waaronder de toepasselijkheid van het slachtoffervriendelijke regime van artikel 7:658 BW (zie paragraaf 3.3.1), als buiten dit thema, zoals ten aanzien van het minimumloon (zie paragraaf 2.3.1) en het recht op een aanvullende opzegvergoeding (zie paragraaf 4.3.3). Dat is de logische consequentie van de variëteit van de rechtsverhouding die zich verbergt achter de overeenkomst van opdracht. Ik ben het ermee eens dat dit de rechtszekerheid niet ten goede komt, maar om er dan maar voor te kiezen geen bescherming te bieden, zodat partijen weten waar zij aan toe zijn, gaat mij vanuit de beschermingsgedachte een brug te ver.10
Ten derde wijzen tegenstanders van een analoge toepassing van de verzekeringsplicht op de verhouding opdrachtgever-opdrachtnemer erop dat de positie van de opdrachtnemer momenteel de aandacht van de politiek heeft,11 ook ten aanzien van (de bescherming tegen) het risico van arbeidsongeschiktheid, waardoor rechtsvorming minder voor de hand ligt.12 Een arbeidsongeschiktheidsverzekering lost echter niet alle problemen op. Als daarnaast geen behoorlijke verzekering bestaat, zoals een SVI (Schade Inzittenden Verzekering), zullen bepaalde schadeposten voor rekening van de opdrachtnemer blijven.13
Nu de argumenten van de tegenstanders mij niet overtuigen en er goede argumenten lijken te bestaan om de verzekeringsplicht voor de opdrachtgever door te trekken (en daarmee het beschermingsniveau van de opdrachtnemer uit te breiden), resteert de vraag wanneer dat het geval moet zijn en op welke rechtsgrond. Het doortrekken van deze plicht, die op grond van artikel 7:611 BW voor de werkgever geldt, kan voor de opdrachtgever naar mijn overtuiging lopen via de band van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 1 BW),14 waarvan artikel 7:611 BW een uitwerking vormt.15 Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden achtte het niet uitgesloten dat de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 1 BW) in de rechtsverhouding tussen de opdrachtgever en de ‘echte’ opdrachtnemer,16 onder omstandigheden meebrengt dat op de opdrachtgever een verzekeringsplicht rust die vergelijkbaar is met die van de werkgever.17 Voor het aannemen daarvan zijn wel ‘bijzondere omstandigheden’ vereist en die ontbraken volgens het gerechtshof, aangezien de opdrachtnemer niet een vergelijkbare positie innam als de werknemers die in het bedrijf van de opdrachtgever werkzaam waren. Daarbij lijkt het hof het criterium uit het Davelaar/Allspan-arrest18 analoog toe te passen (zie paragraaf 3.3.1).19 Die gedachte onderschrijf ik. Het is in mijn ogen immers gerechtvaardigd dat de opdrachtgever die kan kiezen de werkzaamheden te laten verrichten door opdrachtnemers of door eigen werknemers, ook verplicht is een behoorlijke verzekering af te sluiten voor opdrachtnemers indien de uitoefening van de werkzaamheden tussen beide groepen (vrijwel) overeenstemt en de opdrachtgever voor de eigen werknemers een verzekering moet afsluiten,20 zoals voor de zij-aan-zij-opdrachtnemer. Daarbij komt dat de verzekeringsplicht van artikel 7:611 BW een aanvulling is op artikel 7:658 BW, waarmee deze plicht in het verlengde kan worden gezien van het laatstgenoemde artikel. Weliswaar heeft artikel 7:658 lid 4 BW geen betrekking op artikel 7:611 BW, maar het is wel degelijk een belangrijke reden om de artikel 7:658 lid 4 BW-opdrachtnemer een soortgelijke bescherming te bieden.21
Wanneer zo’n verzekeringsplicht bestaat, lijkt af te hangen van het ‘artikel 7:658 lid 4 BW-criterium’ (zie paragraaf 3.3.1 en 3.3.4) en komt in concreto neer op de vraag wie het beste in staat is het risico op schade te dekken door een verzekering. Als het ongeval bijvoorbeeld met een vervoersmiddel van de opdrachtgever plaatsvindt, is dat waarschijnlijk eerder de opdrachtgever.22 Andersom geldt hetzelfde: is het vervoersmiddel in het bezit van de opdrachtnemer, dan is het in principe aan de opdrachtnemer een verzekering af te sluiten.23 Afwijkingen op deze uitgangspunten zijn mogelijk als bijkomende omstandigheden daartoe aanleiding geven, bijvoorbeeld als de premies voor het afsluiten van een verzekering door de opdrachtgever aanmerkelijk lager liggen dan als de opdrachtnemer de verzekering zou afsluiten.24 Als partijen hierover contractuele afspraken maken en in het contract bijvoorbeeld opnemen dat het loon gedeeltelijk bestaat uit een vergoeding voor een behoorlijke verzekering of dat de opdrachtnemer zorg zal dragen voor een adequate verzekering, wordt het voor de opdrachtnemer aanzienlijk complexer de opdrachtgever aansprakelijk te stellen op grond van het schenden van de verzekeringsplicht. Het contract laat in dat geval namelijk vermoedelijk geen ruimte voor aanvulling (artikel 6:248 lid 1 BW).25 Dit beding moet dan eerst worden vernietigd of terzijde worden geschoven door de strenge norm van de onredelijke bezwarendheid van het beding (artikel 6:233 sub a BW),26 mits sprake is van een algemene voorwaarde, respectievelijk de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW), waarna een leemte kan ontstaan. Die leemte kan dan worden aangevuld met de verzekeringsplicht (artikel 6:248 lid 1 BW), voor zover de rechtsverhouding tussen de opdrachtgever en opdrachtnemer deze aanvulling behoeft.