Einde inhoudsopgave
Re-integratie zieke werknemer (MSR nr. 66) 2014/8.2.2
8.2.2 Re-integratie op de agenda
mr.dr. G.A. Diebels, datum 24-09-2014
- Datum
24-09-2014
- Auteur
mr.dr. G.A. Diebels
- JCDI
JCDI:ADS580417:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Rechtswetenschap / Algemeen
Sociale zekerheid arbeidsongeschiktheid / Re-integratie
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Dierkes, p.V in 1960.
Kostorz, p.131 en zijn noot 151.
Dit gold overigens hooguit als nevenmaatregel: fundamenteler was de wijziging van de Rentenversicherung van een kapitaaldekkingsstelsel naar een omslagstelsel én dat de hoogte van de uitkering afhankelijk werd van het loon en de betaalde premie (‘dynamische Rente’), Zöllner, p.101-103.
Harmsen, p.14.
Zie voor totstandkoming uitvoerig, Kostorz, p.130-156.
Zoals in de Krankenversicherung (div. Krankenkassen), Unfallversicherung (div. Berufsgenossenschaften) of de Rentenversicherung (div. regionale Deutsche Rentenversicherung).
§ 7 RehaG.
Het begrip ‘Rehabilitation’ kwam in de jaren vijftig in zwang en werd gekarakteriseerd als: ‘das Wechselspiel aus der Funktionstüchtigkeit in den Unfähigkeitszustand und die Wiedergewinnung der alten modifizierten Funktionstüchtigkeit…’.1 De reden voor deze aandacht was het gegroeide besef dat uitkeringen zoveel mogelijk door re-integratie moesten worden vermeden. Bovendien was ILO-Aanbeveling nr. 99 uit 1955 van invloed. Daarin werd aanbevolen beroepsbevorderende re-integratiemaatregelen in sociale zekerheid op te nemen.2 Bondskanselier Adenauer maakte in 1957 de hervorming van de sociale zekerheid tot inzet van de verkiezingen. Na zijn overwinning werden de inspanningen voor Rehabilitation verbeterd, onder andere door daar in het Rentenversicherungsgesetz bepalingen over op te nemen.3 Adenauer’s ontwerp-‘Krankenversicherungsgesetz’ met onder meer een volledig recht op loondoorbetaling bij ziekte stuitte in 1962 op veel weerstand, wat leidde tot een ‘denkpauze’ rond ziekte in sociale zekerheid. In de jaren 1966 tot 1969 leed Duitsland vervolgens onder een recessie en was Rehabilitation geen agendapunt. Met het aantreden van de sociaaldemocratische Bondskanselier Brandt in 1969 ontstond een nieuw elan. De verbeterde economische vooruitzichten werden aangegrepen voor grootschalige sociale wetgevingsprojecten, zoals het in de steigers zetten van een ‘Sozialgesetzbuch’.
Op het onderwerp Rehabilitation was de sociaaldemocratische invloed duidelijk merkbaar, met 1974 als zeer belangrijk jaar. Allereerst werd het SchwBeschG vervangen door een nieuwe wet: het ‘Schwerbehindertengesetz’ (SchwbG). Het belang van die wet lag met name in het loslaten van elke causaliteit. De oorzaak van de ‘Behinderung’ deed er niet meer toe: iedereen moest gelijke kansen krijgen om toch deel te nemen aan het werkzame leven, ondanks zijn beperkingen. Het quotum werd gesteld op 6%.4 Het loslaten van causaliteit leidde tot een enorme toename van het wettelijk aantal ‘gehandicapten’, simpelweg omdat meer mensen voldeden aan de definitie. Gelijktijdig werd de mogelijkheid afgeschaft om bij besluit een arbeidsovereenkomst tussen werkgever en gehandicapte tot stand te brengen. De maandelijkse Ausgleichsabgabe bleef wel bestaan en werd gesteld op DM 100,-.
Ten tweede werd in 1974 het ‘Rehabilitations-Angleichungsgesetz’ (RehaG) van kracht.5 Er stonden inmiddels in verschillende wetten verschillende maatregelen rond Rehabilitation waarbij elke wet door een andere uitvoeringsinstelling werd uitgevoerd.6 De regering vond dat de afstemming tussen de diverse uitvoeringsinstellingen vanuit verschillende wetten beter moest worden gestroomlijnd. Inhoudelijk zat de crux van het RehaG in het expliciet vastleggen van het principe ‘Rehabilitation vor Rente’.7 Een aanspraak op een uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid kon pas dán door een uitvoeringsinstelling worden ingewilligd als eerst re-integratiemaatregelen waren geprobeerd. De gedachte hierachter leek vooral dat iedereen méé moest kunnen doen.