Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/2.8.1
2.8.1 De wijzigingen aan de WW met de Wwz
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258926:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken I 2013/14, 33818, A, p. 41-42. De wijzigingen in de duurverkorting zijn terug te vinden in artikel 42 WW en artikel 42d WW.
Kamerstukken II 2013/14, 33818, nr. 3, p. 6-7; Kamerstukken I 2013/14, 33818, A, p. 42. Artikel 42d WW is per 1 april 2019 vervallen, omdat per die datum de maximale duur van de WW van 38 maanden naar het nieuwe maximum van 24 maanden wordt afgebouwd.
Kamerstukken II 2013/14, nr. 3, p. 54-55. Het kabinet geeft in voetnoot 32 van de memorie van toelichting aan dat voor het op orde krijgen van de overheidsfinanciën het ook van belang is dat de WW-premies vanaf 1 januari 2014 structureel met 1,3 miljard euro worden verhoogd.
Kamerstukken II 2005/06, 30370, nr. 3, p. 13. In de MvT wordt naar het volgende onderzoek verwezen SEO-rapport Effect Potentiële uitkeringsduur op feitelijke uitkeringsduur WW 2003. Enkel de in de MvT besproken resultaten zijn hier opgenomen. Het rapport is in de digitale archieven van SEO niet terug te vinden zonder een rapportnummer. In de MvT is geen rapportnummer opgenomen, zodat ik het rapport zelf niet heb kunnen inzien.
Slotboom, Re-integratie van oudere werklozen 2013, p. 5, 7-8.
Vlasboom & Schippers, Tijdschrift voor arbeidsvraagstukken 2019/35, p. 1-20, 35. De onderzoekers Vlasblom en Schippers concluderen dat de uitkomsten uit hun onderzoek lijken te duiden op een selectiemechanisme aan de kant van werkgevers waarbij vooral de factor leeftijd een (al dan niet expliciete) rol speelt. De beeldvorming over vijftigplussers onder werkgevers is minder positief. Uit: Kamerbrief inhoudende een reactie op het voormeld onderzoek naar werkloze ouderen, 27 november 2018, referentie: 2018-0000234932. Oudere werklozen worden minder snel uitgenodigd bij een werkgever als zij reageren op een vacature. Dit komt doordat bij veel werkgevers het beeld bestaat dat ouderen duur (hoge loonkosten), minder productief, minder flexibel en vaker ziek zijn. Dit beeld is deels te herleiden tot feitelijke gegevens, maar deels slechts gebaseerd op beeldvorming, waardoor leeftijdsdiscriminatie optreedt. Uit: Algemene Rekenkamer, Re-integratie van oudere werklozen. Rapport behorend bij verantwoordingsonderzoek naar begrotingshoofdstuk XV. Het rapport is op 18 mei 2016 aangeboden aan de Tweede Kamer.
In een studie van de RWI (RWI, (G)oud! Kansen creëren voor werkloze ouderen 2013) worden de verschillende belemmeringen geclusterd in drie groepen:
- 1.
Objectieve competenties en kenmerken:
- –
een lage of verouderde opleiding of een eenzijdige werkervaring;
- –
met name in fysiek belastende beroepen kan de productiviteit teruglopen naarmate men ouder wordt;
- –
ouderen zijn gemiddeld genomen minder vaardig op het gebied van recente technologische ontwikkelingen;
- –
bepaalde arbeidsvoorwaarden, zoals ontziemaatregelen, uitloopschalen of pensioenregelingen, kunnen leiden tot hogere arbeidskosten voor oudere werknemers.
- 2.
Negatief verwachtingspatroon van de werkgever:
- –
werkgever verwacht dat ouderen minder flexibel en mobiel zijn;
- –
werkgever verwacht dat ouderen minder productief zijn;
- –
de angst voor een hoger ziekteverzuim.
- 3.
Zoekgedrag van ouderen:
- –
ouderen zijn minder bedreven in solliciteren, hebben vaak geen relevant netwerk en blijven vaak te lang zoeken in hun eigen vakgebied of sector;
- –
een deel van de ouderen zoekt minder hard naar werk dan degenen die jonger zijn dan 55. Deels ervaren ze minder financiële of sociale druk om te gaan werken. Ook kunnen aanvullende inkomensregelingen van de oude werkgever een negatief effect hebben op de zoektocht naar werk. Tot slot is het aannemelijk dat ouderen vanwege de vele afwijzingen pessimistisch zijn geworden over hun kansen. De resultaten van dit onderzoek zijn ontleend aan Slotboom, Re-integratie van oudere werklozen 2013, p. 8.
Kamerstukken II 2013/14, 33818, nr. 3, p. 63-64.
Kamerstukken II 2013/14, 33818, nr. 3, p. 7: “Zolang het voor ouderen lastiger is aan (ander) werk te komen is een goede uitkeringsregeling van belang. De regering zal daartoe de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen (IOW) tot 2020 handhaven voor werknemers die werkloos worden op het moment dat zij 60 jaar of ouder zijn. Daarna wordt de IOW geëvalueerd. De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) wordt vanaf 1 januari 2015 geleidelijk afgebouwd; werknemers die geboren zijn voor 1 januari 1965 kunnen nog gebruik maken van de IOAW.Voor werknemers van 50 jaar en ouder geldt tot 2020 een hogere vergoedingsregeling. De transitievergoeding voor 50-plussers met een dienstverband van meer dan tien jaar wordt tot 2020 gesteld op één maand per dienstjaar boven de 50, waarbij een uitzondering geldt voor bedrijven met minder dan 25 werknemers. Dit past binnen de van-werk- naar-werk benadering en sluit aan bij het streven de positie van ouderen te verbeteren conform de aanpak van de Beleidsagenda 2020 van de Stichting van de Arbeid.”
Inkomensvoorziening Oudere Werklozen.
Kamerstukken II 2013/14, 33818, nr. 3, p. 63-64.
Een onderdeel van het pakket aan maatregelen dat de WW activerender zou moeten maken is het beperken van de maximale duur van de WW van 38 maanden tot maximaal 24 maanden vanaf 1 januari 2016.
Voor relatieve nieuwkomers op de arbeidsmarkt zou deze wijziging niet veel effect hebben. De eerste tien jaar arbeidsverleden leiden namelijk – net zoals voorheen het geval – elk tot een maand opgebouwd WW-recht.1 Het kabinet onderbouwde dit met het nut van ‘financiële rust’ voor de WW’ers om een baan te zoeken die goed bij hen past. Als een WW’er een baan vindt die goed bij hem past dan zou dit leiden tot een hogere arbeidsproductiviteit dan bij een baan die niet goed bij hem past, met name als hij te snel een baan aanneemt die onder zijn niveau ligt. Na die tien jaar arbeidsverleden geldt dat elk jaar arbeidsverleden tot een halve maand langere WW-duur leidt.2 De verkorting van het WW-recht heeft dus vooral effect op de uitkeringsgerechtigden met een lang arbeidsverleden die ook een langere tijd beroep doen op de WW.
Het kabinet onderbouwde de verkorting van de WW-duur door een vergelijking te maken met de WW-duur in andere Europese landen. De maximale WW-duur van 38 maanden (laat staan vijf jaar) was relatief genereus vergeleken met het EU-gemiddelde. Slechts twee andere landen, België en Spanje, hebben een langere maximale duur. Uit onderstaand figuur blijkt dat als specifiek naar de duur wordt gekeken Nederland een van de langste maximale uitkeringsperioden van een werkloosheidsregeling heeft, vooral voor de 55-jarigen en ouder. Er wordt aangenomen dat iemand werkt vanaf de 18-jarige leeftijd.
Maximale WW-uitkeringsduur in maanden in verschillende landen
Onderzoek uit 2013 naar de maximale WW-uitkeringsduur in maanden in verschillende landen.3
De maximale WW-duur voor een 30-jarige bevindt zich in de middenmoot. Bedenk dat deze leeftijdscategorie vaker een flexibele baan heeft dan de oudere generaties, waardoor de kans groter is dat deze werknemers niet aan de referte-eis voldoen enerzijds en ze vaker een beroep moeten doen op een WW-uitkering anderzijds.
Door het beperken van de WW-duur zou de WW activerender worden en de uitkeringsduur zou meer aansluiten bij wat internationaal gangbaar is. Daarnaast zou door de verkorting een bijdrage geleverd worden aan het op orde brengen van de overheidsfinanciën, omdat er structureel sprake was van een aanzienlijke besparing op de uitkeringslasten.4
Het kabinet vond een maximale duur van twee jaar voldoende als overbruggingsperiode naar een andere baan, aangezien veel werknemers slechts voor een korte periode beroep doen op een WW-uitkering en het merendeel van de werklozen relatief snel uitstroomt naar arbeid. De wijzigingen in de WW-duur zouden dus voor uitkeringsgerechtigden die een korte tijd gebruik maken van de WW slechts beperkt effect hebben. Het kabinet noemde onderzoek van het CBS waaruit blijkt dat 61 procent van de WW-gerechtigden in 2009 binnen 12 maanden weer een baan vond. In 2010 was dat 63 procent van de instromers. Het kabinet verwachtte in de toekomst een hoger percentage door de afspraken uit het sociaal akkoord over de geïntensiveerde inzet op van-werk-naar-werk-trajecten en het vergroten van de activerende werking van de WW.5
De langdurige, vaak vooral oudere, werklozen zouden wel nadeel ondervinden van een verkorting. Het kabinet vond voor de wijziging in 2006 naar 38 maanden dat een kortere duur van de WW een werkhervattingsprikkel was voor oudere werknemers.6 Dat argument is in de memorie van toelichting van de Wwz niet herhaald. Sterker nog, het kabinet merkt op dat de situatie van oudere werklozen niet rooskleurig is. Van de werklozen van 60 jaar of ouder in de WW heeft gemiddeld genomen meer dan 80 procent na 12 maanden nog geen baan gevonden.7 Dit nadeel van de verkorting werd met de Wwz bij de sociale partners neergelegd die in zogenaamde van werk-naar-werk-begeleidingstrajecten moesten investeren en investeringen tijdens de loopbaan in scholing en mobiliteit moesten doen.8 Het is mijns inziens de vraag of dergelijke investeringen in de oudere werknemers daadwerkelijk tot een minder (lang) beroep op de WW gaan leiden, omdat het probleem zich vaak bij de vraag van werkgevers naar oudere werknemers voordoet. Werkgevers nemen (ondanks loonkostenvoordelen) niet graag oudere werknemers aan. Uit onderzoek is gebleken dat een van de grootste belemmeringen bij de re-integratie van ouderen op de arbeidsmarkt heeft te maken met vooroordelen van werkgevers ten aanzien van oudere werknemers: zij zouden (relatief) duur, vaak ziek, inflexibel, en improductief zijn.9 Het solliciteer- en zoekgedrag van werkzoekenden speelt weliswaar een belangrijke rol bij het vinden van werk, maar de leeftijdsdiscriminatie bij werkgevers maakt dat de sollicitatiekansen voor oudere werklozen klein zijn. Werkgevers nemen ouderen ondanks de inspanningen die ze leveren minder vaak aan dan jongeren. Hierin kunnen alleen werkgevers zelf verandering brengen.10 Het ‘polijsten’ van het aanbod aan oudere werknemers heeft daarom voor het overgrote deel van de langdurige oudere werklozen weinig zin.11 Het kabinet onderkent ook in de memorie van toelichting bij de verkorting in 2014 dat de kans op het vinden van nieuw werk met name onder ouderen sterk afneemt na de eerste werkloosheidsmaanden. Er is een groep ouderen die de weg naar de arbeidsmarkt niet meer kan terugvinden doordat er bijvoorbeeld in het verleden niet genoeg is geïnvesteerd in duurzame inzetbaarheid door de werkgever of door de werknemer zelf, aldus het kabinet in de memorie van toelichting.12 Voor deze groep heeft het kabinet flankerende maatregelen13 getroffen om de gevolgen van de verkorting te verzachten, onder meer de uitkeringen uit de IOW14 en de IOAW15 die volgen na de WW-uitkering. De IOW biedt oudere werkloze werknemers na hun WW-uitkering een inkomenswaarborg op het niveau van het sociaal minimum zonder vermogens- of partnertoets. Die uitkering is verlengd tot 2020.16 Die financiële maatregelen zijn mijns inziens niet voldoende ter compensatie van de slechtere positie van de oudere werklozen in de WW. De IOW/IOAW zijn immers uitkeringen op minimumniveau en de WW is loongerelateerd. Fluit noemt de IOW dan ook flankerend beleid dat dient als een doekje voor het bloeden vanwege de beperking van de inkomensbescherming van de WW door de activerende maatregelen.17