Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/13.3.4.2
13.3.4.2 Erkenning eigen belang van de vennootschap?
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS404652:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een overzicht van de relevante literatuur Roth & Altmeppen 2012, § 13, nr. 58 en Möller 2005, p. 121.
Altmeppen 2008a, p. 1204.
Zie par. 13.2.2.3.
Zo meent ook Habersack: “Das so verstandene Eigeninteresse auch der Einpersonen-GmbH verkörpert demnach nichts anderes als die – aus entsprechenden Wertungen des GmbH- und Insolvenzrechts herzuleitenden – gläubigerbezogenen Schutzpflichten des Gesellschafters im Umgang mit “seiner” GmbH.” (Habersack 2008, p. 542). In dezelfde zin: Fleischer & Goette 2010, nr. 517.
“Ist das aber die Grundlage aller weiteren Überlegungen zum Gläubigerschutz in der Einmann- GmbH, sollte man sie dogmatisch nicht bei der “Treuepflicht” verankern. Es geht vielmehr um eine Verhaltenshaftung im Interesse der unbefriedigten Gläubiger.” (Roth & Altmeppen 2012, § 13, nr. 59).
Sommige auteurs leiden uit de keuze voor een interne aansprakelijkheid vanwege onttrekkingen af dat het BGH een eigen belang van de vennootschap erkent, dat los staat van de belangen van de bij de vennootschap betrokken personen. Daarmee zou de discussie die reeds geruime tijd in de juridische literatuur wordt gevoerd, zijn beslecht in het voordeel van de voorstanders van een dergelijke notie.1 Dit zou meebrengen dat op aandeelhouders niet louter een Treuepflicht jegens hun medeaandeelhouders rust, maar ook jegens de vennootschap zelf. Volgens deze auteurs dient ook de enig aandeelhouder zich rekenschap te geven van het belang van de vennootschap bij haar eigen voortbestaan.
Andere auteurs hebben hiertegen ingebracht dat een interne aansprakelijkheidsnorm allerminst een eigen vennootschappelijk belang veronderstelt.2 Uit de KBV-uitspraak blijkt immers dat het aandeelhouders te allen tijde vrij staat de onderneming te beëindigen en de vennootschap te liquideren.3 Roth en Altmeppen menen dat een Treuepflicht van een enig aandeelhouder jegens zijn vennootschap daarom een gekunstelde constructie zou zijn. Een dergelijke Treuepflicht zou volgens hen nimmer meer kunnen behelzen dan de verplichting om – uitsluitend met oog op de belangen van de vennootschapscrediteuren – niet onnodig het voortbestaan van de vennootschap in gevaar te brengen.4 Het zou niet logisch zijn een dergelijke verplichting dogmatisch als Treuepflicht te verankeren; het ligt meer voor de hand om te kiezen voor een aansprakelijkheidsnorm.5