RvdW 2025/245:Gewoontewitwassen van geldbedrag van € 45.985,65 (art. 420ter lid 1 Sr jo. art. 420bis lid 1 sub b Sr). Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklacht. Kon hof oordelen dat verklaring van verdachte over legale herkomst van geld niet concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring is? HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Hof heeft telkens met verwijzing naar bewijsmateriaal en onderzoek gemotiveerd waarom het van oordeel is dat verdachte wat betreft contante uitgaven geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven dat deze uitgaven niet van misdrijf afkomstig zijn. Inzake uitgaven van levensonderhoud heeft verdachte volgens hof geen concrete en verifieerbare aanknopingspunten aangereikt die inzicht konden geven in zijn bestedingspatroon en wijze waarop dat betaald werd, noch aannemelijk gemaakt dat zijn uitgaven voor levensonderhoud lager waren dan door verbalisanten gebezigde NIBUD-normen. ’s Hofs oordeel dat verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over herkomst van geldbedrag, getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping.