Einde inhoudsopgave
RvdW 2025/238
Erfvredebreuk, artikel 138 Sr. Bij een besloten erf is geen sprake van de beoogde bescherming van het huisrecht, maar volstaat dat een ander in feitelijke zin bezit of houderschap over het erf uitoefent.
HR 28-01-2025, ECLI:NL:HR:2025:124
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
28 januari 2025
- Magistraten
Mrs. M.J. Borgers, C.N. Dalebout, F. Posthumus
- Zaaknummer
22/02945
- Conclusie
A-G mr. T.N.B.M. Spronken
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Delicten Wetboek van Strafrecht
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:124, Uitspraak, Hoge Raad, 28‑01‑2025
ECLI:NL:PHR:2024:1083, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 03‑12‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 02‑01‑2023
- Wetingang
Art. 138 Sr
Essentie
Erfvredebreuk, artikel 138 Sr. De Hoge Raad bespreekt het bestanddeel ‘bij een ander in gebruik’ en oordeelt dat bij een besloten erf geen sprake is van de beoogde bescherming van het huisrecht, nu in dat verband volstaat dat een ander in feitelijke zin bezit of houderschap over het erf uitoefent.
Samenvatting
Het cassatiemiddel berust op de opvatting dat aan de woorden ‘bij een ander in gebruik’ in artikel 138 Sr, ten aanzien van een besloten erf dezelfde betekenis toekomt als ten aanzien van een woning, te weten dat feitelijk gebruik is vereist. De uitleg ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.