Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.2.3.2
2.2.3.2 Buitengerechtelijke afdoening
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859056:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Andere buitengerechtelijke afdoeningsmodaliteiten zoals een bestuurlijke boete en een voorwaardelijk sepot laat ik rusten. De strafbeschikking door opsporingsambtenaren en lichamen of personen, met een publieke taak belast (art. 257b en 257ba Sv) blijven, bij gebrek aan belang voor dit onderzoek, eveneens buiten beschouwing. De kern van deze paragraaf is eerder verschenen: De Vries, TE 2021/01, p. 12-17.
Keulen & Knigge 2020, p. 155.
Parl. Gesch. Inv. Boek 4 2003, p. 1174.
Lindenberg & Wolswijk 2021, p. 412.
Kamerstukken II 2004/05, 29849, nr. 3, p. 1 (MvT).
Lindenberg & Wolswijk 2021, p. 412.
Corstens/Borgers & Kooijmans 2021, p. 6 en 636 en Lindenberg & Wolswijk 2021, p. 413.
Parl. Gesch. Inv. Boek 4 2003, p. 1174-1175.
Wet van 7 juli 2006 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met de buitengerechtelijke afdoening van strafbare feiten, Stb. 2006, 330 en het Besluit van 21 december 2007 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet OM-afdoening, Stb. 2008, 4. In het rapport ‘Evaluatie Wet OM-afdoening’ uitgebracht in 2018 door de afdeling Strafrecht en het Bonger Instituut voor Criminologie van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Universiteit van Amsterdam (uitgevoerd in opdracht van het Wetenschappelijke Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het ministerie van Justitie en Veiligheid) stellen de onderzoekers dat de strafbeschikking als buitengerechtelijke afdoeningsmodaliteit niet meer is weg te denken in het stelsel van rechtshandhaving, p. 261. In 2014 werden 350.000 strafbeschikkingen uitgevaardigd blijkt uit deze evaluatie, p. 265.
Kamerstukken II 2004/05, 29849, nr. 3, p. 1 (MvT). In de aanwijzing OM-strafbeschikking (2022A003), datum inwerkingtreding 15 april 2022, paragraaf 2.1 wordt dit nog stelliger geformuleerd: ‘De OM-strafbeschikking komt, wat haar rechtskarakter betreft, overeen met een rechterlijke veroordeling’. Vgl. ook concl. A-G E.J. Hofstee, ECLI:NL:PHR:2016:1306, bij HR 3 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:7, NJ 2017/31.
Aanwijzing OM-strafbeschikking (2022A003), datum inwerkingtreding 15 april 2022, paragraaf 2.1.
Onderdeel van deze beoordeling is de vraag of een strafuitsluitingsgrond aanwezig is, Kessler, in: Handboek strafzaken, 65.2.2 (online, bijgewerkt 1 januari 2020). Indien sprake is van een strafuitsluitingsgrond, blijft oplegging van een strafbeschikking dus achterwege.
Reijntjes, NJB 2015/350.
Vgl. Corstens/Borgers & Kooijmans 2021, p. 645 en Lindenberg & Wolswijk 2021, p. 413. De wet maakt hierop een uitzondering: een rechtstreeks belanghebbende kan beklag doen bij het hof over vervolging door uitvaardiging van een strafbeschikking. Verklaart het hof dit beklag gegrond, dan beveelt het dat een ‘gewone’ vervolging plaatsvindt (art. 255a lid 1 Sv), Corstens/Borgers & Kooijmans 2021, p. 228 en Lindenberg & Wolswijk 2021, p. 413.
Concl. A-G E.J. Hofstee, ECLI:NL:PHR:2016:1306, bij HR 3 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:7, NJ 2017/31, de redactionele aantekening bij de uitspraak alsmede Corstens/Borgers & Kooijmans 2021, p. 645.
Parl. Gesch. Inv. Boek 4 2003, p. 1169.
Hetzelfde geldt voor art. 4:3 lid 1 sub b BW, waarover meer in par. 2.3.4.3.
Art. 257a lid 2 Sv noemt de sanctiemogelijkheden. Een vrijheidsstraf staat hier niet in genoemd. Dit vindt zijn verklaring in art. 5 EVRM op basis waarvan iemand alleen zijn vrijheid mag worden ontnomen na veroordeling door een daartoe bevoegde rechter. Aangezien bij ernstige feiten een gevangenisstraf (veelal) gepast is, moet het OM om dat opgelegd te krijgen de kwestie wel voorleggen aan de rechter. Bovendien vormt een politiek of publicitair gevoelige zaak een contra-indicatie voor het opleggen van een strafbeschikking, Aanwijzing OM-strafbeschikking (2022A003), datum inwerkingtreding 15 april 2022, bijlage I. Bij de strafbare feiten die vallen onder art. 4:3 lid 1 sub b BW bestaan meer mogelijkheden tot het opleggen van een strafbeschikking. Zie daarover nader par. 2.3.4.3.
Bepaalde strafbare feiten kunnen buitengerechtelijk worden afgedaan door middel van een transactie of strafbeschikking.1 Bij een transactie doet het Openbaar Ministerie (OM) een voorstel aan de verdachte ter voorkoming van strafvervolging. Indien de verdachte aan de door het OM gestelde voorwaarden voldoet, vervalt het recht tot strafvordering (art. 74 Sr). Deze manier van afdoen levert formeel geen bestraffing op.2 Hieruit volgt dat van een veroordeling evident geen sprake is. Minister Sorgdrager merkt in de parlementaire geschiedenis ook nadrukkelijk op dat een transactie niet tot onwaardigheid leidt.3 Los daarvan geldt dat een transactievoorstel enkel mogelijk is bij een overtreding of misdrijf waarop maximaal zes jaren gevangenisstraf is gesteld. Deze afdoeningsmodaliteit komt bij de delicten die vallen onder artikel 4:3 lid 1 sub a BW daardoor enkel in beeld bij kinderdoodslag. Daarvoor geldt echter dat de kans klein is dat voor een dergelijk ernstig feit een transactie wordt aangeboden. Tot slot is bij de transactie van belang te vermelden dat de aanstonds te bespreken strafbeschikking deze afdoeningsmogelijkheid gaat vervangen (en dat grotendeels al heeft gedaan).4
Een strafbeschikking strekt niet ter voorkoming van vervolging, maar is een vorm waarin het OM de zaak kan vervolgen en bestraffen.5 Via een strafbeschikking kan de officier van justitie (OvJ) strafrechtelijke sancties opleggen indien hij vaststelt dat een overtreding is begaan, dan wel een misdrijf waarop niet meer dan zes jaar gevangenisstraf is gesteld (art. 257a lid 1 Wetboek van Strafvordering (Sv)).6 Via deze figuur wordt gebroken met de gedachte dat uitsluitend rechters strafrechtelijke sancties opleggen.7 De strafbeschikking is dus geen rechterlijke veroordeling.
Minister Sorgdrager heeft zich op het standpunt gesteld dat enkel een rechterlijke veroordeling relevant is bij onwaardigheid.8 Naar mijn mening moet aan deze opmerking geen beslissende betekenis worden gehecht bij een strafbeschikking. Ten tijde van het innemen van dit standpunt door de minister bestond de strafbeschikking nog niet. Deze afdoeningsmodaliteit is op 1 februari 2008 ingevoerd.9 In de memorie van toelichting is over de strafbeschikking opgemerkt dat haar rechtskarakter, in tegenstelling tot een transactie, meer overeenkomt met een rechterlijke veroordeling.10 Deze opmerking wijst juist in de richting dat de strafbeschikking bij onwaardigheid gelijk te stellen is met een rechterlijke veroordeling.
Dit is niet het enige argument dat pleit voor deze gelijkstelling. Een strafbeschikking mag enkel worden opgelegd als de schuld van de verdachte is vastgesteld. De Aanwijzing OM-strafbeschikking spreekt over een adequate schuldvaststelling voorafgaand aan de oplegging.11 De OvJ moet bezien of de verdachte strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gehouden voor het strafbare feit.12 Wie niet tegen een strafbeschikking opkomt, wordt formeel schuldig geacht.13
Tevens wordt in het Wetboek van Strafrecht de strafbeschikking met een veroordeling gelijkgesteld, tenzij uit enige bepaling het tegendeel volgt (art. 78b Sr). Verder geldt dat wanneer tegen de verdachte een strafbeschikking is uitgevaardigd, die volledig ten uitvoer is gelegd, een rechterlijke veroordeling voor dat feit niet meer mogelijk is. De wet bepaalt namelijk dat de verdachte voor dat feit niet opnieuw in rechte kan worden betrokken (art. 255a lid 1 Sv).14 Een strafbeschikking heeft dus, net als een rechterlijke veroordeling, ne bis in idem-werking.15
Het feit dat het sanctiearsenaal bij een strafbeschikking zich niet uitstrekt tot een vrijheidsbenemende straf doet niet ter zake. Het gaat bij onwaardigheid niet om de sanctie die is opgelegd, maar om de strafbedreiging. De ernst van het misdrijf wordt afgemeten aan de daarop in de wet gestelde maximumstraf, niet aan de straf die in het concrete geval is opgelegd.16
Bezien vanuit het perspectief van de erflater is het bovendien irrelevant hoe het misdrijf strafrechtelijk wordt afgedaan. Het delict, de misdraging, vormt de aanleiding voor de onwaardigheid en niet de wijze van afdoening.
Kortom, de opmerking van minister Sorgdrager dat bij onwaardigheid enkel een rechterlijke veroordeling relevant is, moet door ontwikkelingen in het strafrecht als achterhaald worden beschouwd. Onder ‘veroordeling’ in artikel 4:3 lid 1 sub a BW moet ook een strafbeschikking worden begrepen.17
Van belang is nog om te constateren dat gelijk als bij de transactie geen strafbeschikking mag worden opgelegd bij misdrijven waar meer dan zes jaren gevangenisstraf op staat (art. 257a Sv). Evenals bij de transactie is bij de delicten die vallen onder artikel 4:3 lid 1 sub a BW enkel een strafbeschikking mogelijk bij kinderdoodslag. Ook hier geldt dat een strafbeschikking niet snel zal worden opgelegd voor een zodanig ernstig feit.18