De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland
Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/4.3.3.4:4.3.3.4 Tussenconclusie
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/4.3.3.4
4.3.3.4 Tussenconclusie
Documentgegevens:
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS399611:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit het voorgaande blijkt dat op basis van de jurisprudentie van het Hof van Justitie niet duidelijk is vast te stellen of Europese besluiten gericht tot de lidstaten, voor zover zij geen beoordelingsmarge inhouden voor de lidstaten, net als verordeningen door nationale uitvoeringsorganen rechtstreeks kunnen worden toegepast, ook indien dit negatieve consequenties heeft voor particulieren. Ook de Europese subsidiebesluiten zelf bieden doorgaans niet de gewenste duidelijkheid. Vast staat wel dat een eindontvanger van de Europese subsidie niet met een bepaling uit een Europees besluit dat is gericht tot de lidstaat kan worden geconfronteerd, indien dat besluit niet is gepubliceerd. Verder geldt dat, wanneer uiteindelijk de conclusie luidt dat een nationaal uitvoeringsorgaan een bepaling uit een Europees besluit dat is gericht tot de lidstaten rechtstreeks kan toepassen in de nationale subsidieverhouding, in het nationale recht wel zal moeten worden geregeld welk specifiek nationaal uitvoeringsorgaan de bevoegdheden en verplichtingen van de lidstaat zal gaan uitvoeren.1 Voor zover in de toekomst zal blijken dat rechtstreekse toepassing van bepalingen uit Europese besluiten die zijn gericht tot de lidstaat niet mogelijk is en aan dergelijke bepalingen door nationale uitvoeringsorganen geen bevoegdheid kan worden ontleend en het nationale recht evenmin toereikend is om de daarin neergelegde verplichtingen uit te voeren, is voorts niet duidelijk of een dergelijke bepaling in dat geval wel als een bevoegdheidsgrondslag zou kunnen dienen om aan de Europese verplichtingen te kunnen voldoen. Zo niet, dan zou conforme interpretatie wellicht tot de mogelijkheden behoren. Hier gelden echter dezelfde beperkingen als die zijn besproken in paragraaf 4.2.10.6. Opdat wordt verzekerd dat aan Europese verplichtingen neergelegd in Europese besluiten die zijn gericht tot de lidstaten kan worden voldaan, verdient het dan ook aanbeveling om dergelijke besluiten te implementeren in het nationale recht.
Het vorenstaande biedt geen oplossing voor het onderliggende probleem dat Europese besluiten die alleen zijn gericht tot de lidstaten en derhalve alleen voor hen juridische verbindend zijn, allerlei negatieve implicaties lijken te kunnen hebben voor de eindontvangers van de Europese subsidie. Dit staat op gespannen voet met het legaliteits- en rechtszekerheidsbeginsel. Met Vogt kan worden gesteld dat de Europese instellingen, om verwarring en mogelijke conflicten te verminderen, gebruik zouden moeten maken van verordeningen indien zij aan de lidstaten verplichtingen opleggen die gevolgen kunnen hebben voor particulieren.2 Dit neemt echter niet weg dat ook in het kader van Europese verordeningen de vraag kan worden gesteld in hoeverre verplichtingen die zijn opgelegd aan de lidstaten betekenis hebben voor de eindontvangers van de Europese subsidie.3 Het zou mijns inziens de voorkeur verdienen om verplichtingen voor de eindontvangers van de Europese subsidie direct aan hen op te leggen, in plaats van indirect via de lidstaten. Dit is mogelijk wanneer de verplichtingen voor de eindontvangers direct in een Europese verordening worden neergelegd.