Einde inhoudsopgave
Publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen (IVOR nr. 74) 2010/9.3.6.2
9.3.6.2 Verdergaande implicaties voor "regulatory competition" om re-incorporaties
mr. J.B.S. Hijink, datum 16-09-2010
- Datum
16-09-2010
- Auteur
mr. J.B.S. Hijink
- JCDI
JCDI:ADS575532:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Anders Smits (2006). Hij vraagt zich, op p. 23-24, af of de verschillen tussen Europese stelsels groot genoeg zijn voor competitie nu zijzelf grotendeels zijn gebaseerd op Europese harmoniserende wetgeving. Hij beantwoordt deze vraag (op p. 23) door op te merken dat de detailverschillen 'voor de meeste bedrijven niet voldoende [lijken] om een keuze voor een ander vennootschapsregime te rechtvaardigen.'
Hierover Timmerman (2001b), p. 199: '[d]eze vrees is met name van de kant van Duitsland steeds weer benadrukt.'
Meer precies gezegd: wenselijk is een fundamentele herbezinning over de gewenste positie van de medezeggenschap van werknemers in het Nederlandse recht, vanuit het perspectief van de concurrentiekracht van het Nederlandse vennootschapsrecht en de van Nederlandse rechtsvormen alsmede vanuit het perspectief van de concurrentiekracht van het Nederlandse bedrijfsleven. Hoewel deze perspectieven niet hetzelfde zijn, mag worden aangenomen dat verbetering van de concurrentiekracht van het Nederlandse vennootschapsrecht positief zal zijn voor de concurrentiekracht van het Nederlandse bedrijfsleven.
Waarvan de in de artikelen 2:152-164 en 2:262-274 BW opgenomen structuurregeling de exponent vormt.
Onafhankelijk van het (waarde)oordeel dat men heeft over aan wie de uiteindelijke zeggenschap in een vennootschap dient toe te komen — zie in verband met de positie van de werknemer hierover ook Bartman (2004a), p. 80 — kan worden geconstateerd dat in de concurrentie tussen rechtsvormen de (ook op dit terrein) meer flexibiliteit biedende Engelse rechtsvormen de overhand hebben boven Nederlandse en Duitse rechtsvormen. De Nederlandse regering lijkt in het verleden ook deze link te hebben gelegd, maar krabbelde op dit punt op een later moment weer terug. Vgl. de kabinetsreactie over het SER-advies 'Evenwichtig Ondernemingsbestuur' van juni 2008 (Kamerstukken II, 2007/2008, 31 083, nr. 22, p. 4) en de daarna in september 2008 gemaakte opmerking dat '[m]edezeggenschap van werknemers (...) naar het oordeel van het kabinet niet op voorhand op gespannen voet [staat] met een aantrekkelijk vestigingsklimaat' (in Kamerstukken II, 2009/ 2009, 31 083, nr. 24, p. 8). Van Solinge (2004), op p. 9, is één van de weinigen die expliciet wijst op de mogelijkheden die de jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie meebrengt voor het ontlopen van het structuurregime. Zie in dit kader ook Van der Heijden (2007) en Van het Kaar (2007), p. 17-18.
Schfin (2005), p. 354, noemt terecht dat '[a]fter the decisions of the European Court of Justice in Centros, ZJberseering and Inspire Art continental legal systems will be forced to rearrange the 'clivision of labour' between company law and other fields of the law.' Ook uit de rake opmerking van Timmerman (2001a), p. 119, dat 'het vennootschapsrecht een steeds minder geschikt middel [is] om regels van dwingend recht aan ondernemingen op te leggen' volgt dit. Ik heb dit zelf in Hijink (2006a), p. 41, in navolging van Timmerman ook eerder betoogd. De suggestie van Bartman (2007), p. 318, om de huidige structuurregeling te vervangen door een nieuwe vorm van intern, vennootschappelijk toezicht (met daarbij een rol voor de (centrale) ondernemingsraad) voor alle — zo kan uit het betoog van Bartman worden afgeleid — statutair in Nederland gevestigde beursvennootschappen, slaat de plank dan ook volledig mis. Ook dit toezicht kan immers eenvoudig worden ontlopen door te kiezen voor een vennootschappelijke rechtsvorm naar het recht van een andere lidstaat. De Europese vrije vestigingsles is nu eenmaal juist dat medezeggenschap — wil zij effectief zijn moet worden losgekoppeld van het vennootschapsrecht.
Dat het unificatieproces van de Koninklijke Olie/Shell-groep — waarschijnlijk — 'niets', aldus Verburg (2007), p. 12, van doen had met de structuurregeling, doet daaraan niets af. Ook Verburg onderkent dit. Hij merkt eveneens op (p. 12) dat '[d]e keuze van Shell (...) wel een eerste schaap van bekende signatuur over de dam [betekent].' Merkwaardigerwijs concludeert hij vervolgens (p. 398-402) tot herziening van de structuurregeling die dient te leiden tot een wijziging van, nog steeds, de vennootschapsrechtelijke medezeggenschap.
Ik heb eerder op enkele van die gevolgen gewezen in Hijink (2006a), p. 39-41 en p. 94 en in Hijink (2006b), p. 462-463. Zie ook Ferran (2004a), p. 56. Zij ziet in de wens om een bepaald toezichtsregime in het effectenrecht te ontlopen een reden voor het verplaatsen van de statutaire zetel door vennootschappen.
Dat het vennootschapsrecht voor beursvennootschappen in de Europese Unie als gevolg van de Europese richtlijnen in belangrijke mate geharmoniseerd is, zal deze ontwikkeling bovendien niet tegenhouden.1 Ik zie daarvoor twee redenen.
De eerste reden is dat juist de nog bestaande verschillen binnen de vennootschapsrechtelijke wet- en regelgeving van de afzonderlijke lidstaten een belangrijke reden kan vormen om de statutaire zetel van een vennootschap te verplaatsen. Een voorbeeld daarvan is de — door sommigen als "vrees" aangeduide — mogelijkheid dat vennootschappen, bijvoorbeeld door middel van een grensoverschrijdende fusie, verdwijnen uit lidstaten waarin de medezeggenschap van werknemers (mede) vennootschapsrechtelijk is vormgegeven.2 Dit is relevant voor de vormgeving van de medezeggenschap van werknemers in het Nederlandse vennootschapsrecht. Een fundamentele herbezinning op de (on)wenselijkheid en (on)mogelijkheid van medezeggenschap die aankoopt bij de vennootschap lijkt mij om die reden noodzakelijk.3 Gezien de jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie over de vestigingsvrijheid van vennootschappen, en uitoefening daarvan door vennootschappen, meen ik dat dat concept achterhaald is. Handhaving van de huidige vennootschapsrechtelijke medezeggenschap in het Nederlandse vennootschapsrecht4 is daarnaast schadelijk voor de concurrentiepositie van het Nederlandse vennootschapsrecht en de Nederlandse rechtsvormen NV en BV.5 Het versluiert bovendien dat wanneer men van medezeggenschap werkelijk werk wil maken, de territoriale werkingskracht — en daarmee rechtsvormonafhankelijke vormgeving — van medezeggenschapsrechtelijke voorschiften een voorwaarde dient te zijn.6 De wijze waarop het unificatieproces van de Koninklijke Olie/Shell-groep heeft plaatsgevonden vormt in dit verband een illustratie van de relatieve eenvoud waarmee de structuurregeling desgewenst kan worden ontweken.7
Een tweede reden waarom de (gedeeltelijke) harmonisering van het vennootschapsrecht voor beursvennootschappen in de Europese Unie competitie niet zal tegenhouden, is dat ook buiten het vennootschapsrecht gelegen overwegingen of voorschriften die vastknopen aan de statutaire zetel een doorslaggevende reden voor zetelverplaatsing kunnen vormen. In feite vormt het unificatieproces van de Koninklijke Olie/Shell-groep daarvan een voorbeeld. De wens om (volledig) in de FTSE 100 index opgenomen te kunnen worden, is immers geen overweging die direct de vennootschapsrechtelijke voorschriften betreft, maar is wel onlosmakelijk verbonden met de statutaire zetel van de vennootschap. Ook dergelijke, buiten het "eigenlijke" vennootschapsrecht gelegen, argumenten kunnen derhalve een prikkel vormen voor re-incorporatie. Er vindt als het ware een afweging plaats van voor- en nadelen van het toepasselijke vennootschapsrecht ten opzichte van andere consequenties die vastknopen aan de statutaire zetel van de vennootschap. Dit heeft tot gevolg dat niet alleen dat de relevantie van de inhoud van het toepasselijke vennootschapsrecht toeneemt. Ook het belang van andere — buiten het "eigenlijke" vennootschapsrecht gelegen — voorschriften die aanknopen bij de statutaire zetel van een vennootschap neemt toe. Bij, als gevolg van harmonisatie, gelijkluidende bepalingen van vennootschapsrecht in de lidstaten, worden vormgeving van en toezicht op andere voorschriften die aanknopen bij de statutaire zetel van de beursvennootschap relevante factoren voor (re-)incorporatie beslissingen.8