De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen
Einde inhoudsopgave
De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen (VDHI nr. 176) 2022/3.3.4.9.c:3.3.4.9.c Gemeenschap van nalatenschap
De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen (VDHI nr. 176) 2022/3.3.4.9.c
3.3.4.9.c Gemeenschap van nalatenschap
Documentgegevens:
mr. E.J. Breukink, datum 15-04-2022
- Datum
15-04-2022
- Auteur
mr. E.J. Breukink
- JCDI
JCDI:ADS649709:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Perrick 2020, p. 217.
Idem Perrick 2020, p. 218.
Gerechtshof ’s Gravenhage 7 augustus 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:1863, r.o. 46.
Perrick 2020, p. 219.
Asser/Perrick 4 2017, nr. 686; Perrick 2020, p. 219.
Mits de aandelen in de nalatenschap voldoende kapitaal vertegenwoordigen.
Perrick 2020, p. 221.
Zie over het beheer van aandelen door de vereffenaar en de testamentair bewindvoerder verder Perrick 2020, p. 225-231.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor de beantwoording van de vraag wie in geval van gemeenschap van nalatenschap bevoegd is het agenderingsrecht uit te oefenen, dient een aantal situaties te worden onderscheiden. Eerst de situatie waarin de aandelen tot een nalatenschap behoren, zonder dat een erfrechtelijke functionaris fungeert. De aandelen kunnen dan tot een gemeenschap van nalatenschap behoren, waarop titel 3.7 BW van toepassing is. Dit doet zich voor als sprake is van meer dan één erfgenaam en er geen langstlevende echtgenoot is die de aandelen van rechtswege verkrijgt op grond van de wettelijke verdeling.1 Wat betreft het agenderingsrecht geldt dan hetgeen ik in par. 3.3.4.9.a schreef. Als de erflater een echtgenoot en één of meer kinderen achterlaat, wordt de nalatenschap overeenkomstig art. 4:13 BW verdeeld, tenzij de erflater bij uiterste wilsbeschikking anders heeft bepaald. De langstlevende echtgenoot verkrijgt in dat geval van rechtswege de aandelen en is dus agenderingsgerechtigd.2 Hetzelfde geldt als de erflater één erfgenaam nalaat en de aandelen niet behoren tot een ontbonden huwelijksgemeenschap.
Als een executeur in functie is, heeft hij op grond van art. 4:144 lid 1 BW tot taak de goederen der nalatenschap te beheren. Als gezegd valt daaronder het uitoefenen van aan aandelen verbonden zeggenschapsrechten, zoals het agenderingsrecht. De bijzondere taak van de executeur kan echter met zich brengen dat het uitoefenen van een bepaald zeggenschapsrecht niet onder de beheerstaak valt. Zo oordeelde het Hof Den Haag al eens dat “het bewerkstelligen van ontbinding” van de BV niet tot de beheerswerkzaamheden van de executeur behoort.3 Voor de ontbinding van de BV was een besluit van de algemene vergadering vereist, zie art. 2:19 lid 1, onder a BW. Onder ‘bewerkstelligen van ontbinding’ valt het stemmen op het voorstel tot ontbinding.4 In het verlengde hiervan valt, naar ik meen, ook het (doen) agenderen van het voorstel tot ontbinding onder het bewerkstelligen van de ontbinding. De uitspraak van het hof moet zo worden begrepen dat onder omstandigheden de uitoefening van bepaalde zeggenschapsrechten niet onder de beheerswerkzaamheden van de executeur valt. Dat neemt niet weg dat aan hem die zeggenschapsrechten alsnog wel toekomen.
Als de nalatenschap deel uitmaakt van een ontbonden huwelijksgemeenschap, voeren de langstlevende echtgenoot en de executeur gezamenlijk het beheer. Zij zijn dan samen bevoegd het agenderingsrecht op de aandelen uit te oefenen. De langstlevende echtgenoot en de executeur kunnen in een beheersregeling afspreken dat het beheer (en dus de uitoefening van het agenderingsrecht) privatief toekomt aan de executeur, de langstlevende echtgenoot, of een derde.5
Art. 4:144 lid 1 BW laat het bepaalde in art. 3:170 lid 1 BW onverlet. De executeur komt weliswaar het beheer over de aandelen toe, maar de erfgenaam of erfgenamen zijn zo nodig bevoegd handelingen te verrichten die geen uitstel kunnen lijden. Er kan zich een situatie voordoen waarin besluitvorming over een bepaald onderwerp geen uitstel kan lijden. Alsdan is elke erfgenaam zelfstandig tot agendering bevoegd,6 mits de executeur niet beschikbaar is.7
Een vereffenaar heeft tot taak de nalatenschap als goed vereffenaar te beheren en te vereffenen (art. 4:211 lid 1 BW). Op grond van art. 4:166 BW komt het beheer van aandelen van de nalatenschap die onder beheer staan, toe aan de bewindvoerder. Voor de uitleg van het begrip ‘beheer’ in art. 4:211 BW en art. 4:166 BW mag wederom aansluiting worden gezocht bij art. 3:170 lid 2 BW: onder het beheren van aandelen valt het uitoefenen van de aan de aandelen verbonden zeggenschapsrechten.8