Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/10.3.2.1
10.3.2.1 Dagvaardingsprocedures
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS579958:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Strikwerda 2005, nr. 216.
Daarnaast bestaan er nog bijzondere bevoegdheidsregels ingeval het gaat om zakelijke rechten op en huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende zaken, nalatenschappen, de geldigheid, de nietigheid of de ontbinding van vennootschappen of rechtspersonen en gevallen van faillissement, surseance van betaling of toepassing van de schuldsaneringsregeling. In art. 7 Rv worden een aantal aanvullende bevoegdheidsgronden gegeven (accessoire bevoegdheden) in verband met de samenhang van vorderingen. In art. 7 lid 1 Rv wordt de pluraliteit van gedaagden geregeld. Is de Nederlandse rechter bevoegd ten aanzien van de vordering tegen één gedaagde dan is de Nederlandse rechter tevens bevoegd ten aanzien van de vorderingen tegen de andere gedaagden. Wel is vereist dat voldoende samenhang bestaat tussen de vorderingen tegen de verschillende gedaagden. Bij de vordering in reconventie en de vordering tot vrijwaring, voeging of tussenkomst brengt de bevoegdheid betreffende de oorspronkelijke vordering ook de bevoegdheid ten aanzien van de vordering in reconventie en de vordering tot vrijwaring, voeging of tussenkomst met zich mee, uitgezonderd het geval dat tussen deze vorderingen en de oorspronkelijke vordering onvoldoende samenhang bestaat. Zie art. 7 lid 2 Rv. Zie Strikwerda 2005, nr. 218. Ingeval de oorspronkelijke vordering slechts ingesteld is om de gedaagde in het nevengeding van de bevoegde rechter af te houden, ontbreekt de accessoire bevoegdheid betreffende de vordering tot vrijwaring, voeging of tussenkomst ook. Zie Strikwerda 2005, nr. 218 en de daar vermelde wetsgeschiedenis.
Strikwerda 2005, nr. 218.
Strikwerda 2005, nr. 218 en de daar vermelde wetsgeschiedenis.
a. Hoofdregel (forum rei)
De Nederlandse rechter is op grond van artikel 2 Rv in zaken die bij dagvaarding worden ingeleid bevoegd wanneer de gedaagde in Nederland zijn woonplaats of vaste verblijfplaats heeft (forum rei). Bij een rechtspersoon geldt op grond van artikel 1:10 lid 2 BW als woonplaats de plaats waar hij volgens zijn statuten of reglementen zijn zetel heeft. Nu de EEX-VO van toepassing is indien het een burgerlijke of handelszaak betreft en de verweerder woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat (Nederland), speelt het commune internationaal bevoegdheidsrecht geen rol indien de gedaagde in Nederland zijn woonplaats of vaste verblijfplaats heeft.
Voor de privaatrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht kan het van belang zijn dat op grond van artikel 1:14 BW een persoon die een kantoor of filiaal houdt, bij aangelegenheden die het kantoor of filiaal betreffen mede daar woonplaats heeft. Ingeval de verweerder een rechtspersoon is met zijn statutaire zetel, zijn hoofdbestuur of zijn hoofdvestiging gevestigd in een land buiten de EU dan valt de vraag naar de bevoegdheid van de rechter buiten het formeel toepassingsgebied van de EEX-VO. Heeft een rechtspersoon met zijn statutaire zetel, zijn hoofdbestuur of zijn hoofdvestiging gevestigd in een land buiten de EU echter een kantoor of filiaal in Nederland dan zou op grond van het commune internationaal bevoegdheidsrecht de rechtspersoon voor wat betreft de aangelegenheden van het filiaal of het kantoor toch alsnog in Nederland kunnen worden gedagvaard.1
b. Aanvullende gronden voor de internationale bevoegdheid
Naast de hoofdregel zoals neergelegd in artikel 2 Rv (forum rei) kent artikel 6 Rv aanvullende gronden voor de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter. Deze aanvullende gronden betreffen de verbintenissen uit overeenkomst (de Nederlandse rechter is op grond van artikel 6 sub a Rv bevoegd ingeval de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt in Nederland is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd), individuele arbeidsovereenkomsten of agentuurovereenkomsten (de Nederlandse rechter is op grond van artikel 6 sub b Rv bevoegd indien de arbeid gewoonlijk in Nederland wordt verricht), consumentenovereenkomsten (de Nederlandse rechter is op grond van artikel 6 sub d Rv bevoegd indien de consument in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft en de partij die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf aldaar commerciële of beroepsactiviteiten ontplooit, of dergelijke activiteiten met ongeacht welke middelen richt op Nederland en de overeenkomst onder die activiteiten valt) en verbintenissen uit onrechtmatige daad (de Nederlandse rechter is bevoegd op grond van artikel 6 sub e Rv indien het schadebrengende feit zich in Nederland heeft voorgedaan of zich kan voordoen).2
c. Samenhang van vorderingen
In artikel 7 Rv worden een aantal aanvullende bevoegdheidsgronden gegeven (accessoire bevoegdheden) in verband met de samenhang van vorderingen. In artikel 7 lid 1 Rv wordt de pluraliteit van gedaagden geregeld. Is de Nederlandse rechter bevoegd ten aanzien van de vordering tegen één gedaagde dan is de Nederlandse rechter tevens bevoegd ten aanzien van de vorderingen tegen de andere gedaagden. Wel is vereist dat voldoende samenhang bestaat tussen de vorderingen tegen de verschillende gedaagden. Bij de vordering in reconventie en de vordering tot vrijwaring, voeging of tussenkomst brengt de bevoegdheid betreffende de oorspronkelijke vordering ook de bevoegdheid ten aanzien van de vordering in reconventie en de vordering tot vrijwaring, voeging of tussenkomst met zich mee, uitgezonderd het geval dat tussen deze vorderingen en de oorspronkelijke vordering onvoldoende samenhang bestaat (zie artikel 7 lid 2 Rv).3 Ingeval de oorspronkelijke vordering slechts ingesteld is om de gedaagde in het nevengeding van de bevoegde rechter af te houden, ontbreekt de accessoire bevoegdheid betreffende de vordering tot vrijwaring, voeging of tussenkomst ook.4