Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/2.7
2.7 De centrale plaats van het belang van de rechtspersoon
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS196935:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Bij het antagonistische type enquête (zie 2.3) lijken de belangen van de rechtspersoon minder in het centrum van de aandacht te liggen.
OK 1 november 2005, ECLI:NL:GHAMS:2005:AU8689, ARO 2005/192 (ATR-Leasing).
HR 30 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8210, ARO 2007/68 (ATR-Leasing), r.o. 4.4. Een enquêteverzoek is slechts toewijsbaar indien blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid van de betrokken rechtspersoon twijfelen, maar indien aan dat criterium is voldaan is het “in beginsel aan het oordeel van de ondernemingskamer overgelaten het verzoek tot een enquête al dan niet toe te wijzen”.
Art. 2:347 BW.
Ter onderscheiding van het (Angelsaksisch georiënteerde) shareholdersmodel.
Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood, 2017/116.
Kamerstukken II 1967/68, 9596, 3, p.1 (MvT). Vgl. Eikelboom 2017, p. 3.3.1.
HR 30 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8210, ARO 2007/68 (ATR-Leasing). In de zaak Scheipar was sprake van een, ten opzichte van ATR-Leasing, omgekeerde situatie: een belanghebbende bepleitte een onderzoek over een kortere periode dan waar verzoeker om had gevraagd. De Ondernemingskamer gelastte een onderzoek vanaf de door verzoeker verzochte datum. In cassatie werd geklaagd dat de Ondernemingskamer had moeten motiveren waarom zij ondanks het verweer van de belanghebbende koos voor de door verzoeker gewenste onderzoeksperiode. HR 6 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9440, ARO 2003/97 (Scheipar), r.o. 3.6.2: “Aan de ondernemingskamer komt een grote mate van vrijheid toe bij het bepalen van de omvang van een door haar bevolen onderzoek. Op dit punt kunnen aan haar oordeel dan ook geen hoge motiveringseisen worden gesteld.”.
Uit HR 4 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8338, ARO 2002/160 (Zwagerman) wordt algemeen afgeleid dat de rechter ook de vrijheid heeft om in de eerste fase andere voorzieningen te bevelen dan die waar om is verzocht. De beschikking heeft betrekking op voorzieningen als bedoeld in art. 2:356 BW, dus tweede fase-voorzieningen. Zie ook 2.9.
Olden, Ondernemingrecht 2003/p. 549-555, nr. 4.
Geerts 2004, p. 1.6.
Zie ook Storm 2018, 2.3.6. Storm merkt daar bijvoorbeeld op dat de Ondernemingskamer kan doortasten naar het materiële geschilpunt.
Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood, 2017/116. Storm somt op de belangen van: aandeelhouders, bestuurders, commissarissen, werknemers, kapitaalverschaffers, crediteuren, afnemers, leveranciers, overheden, etc. (Storm 2018, 2.7.2.2).
HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:797, ECLI:NL:HR:2014:799, ECLI:NL:HR:2014:804, ECLI:NL:HR:2014:808, ARO 2014/71, ARO 2014/73, ARO 2014/74, ARO 2014/72 (Cancun), r.o. 4.2.1 (in alle beschikkingen).
De aanduiding ‘definitie’ lijkt te sterk voor de bewoordingen van de Hoge Raad.
Zie 2.3.
Dat zijn immers rechtspersonen die een onderneming in stand houden (2.5.1).
[75] Een bijzonderheid van de enquêteprocedure is dat het belang van de rechtspersoon voorop staat.1 Andere belangen komen op het tweede plan. Met zoveel woorden is dat overwogen in de zaak ATR-Leasing. De Ondernemingskamer had een onderzoek bevolen over een periode die, op instigatie van een verschenen belanghebbende, langer duurde dan waar om de verzoeker had gevraagd.2 In cassatie kwam de vraag aan de orde of de Ondernemingskamer daarmee trad buiten de grenzen van rechtsstrijd, die worden bepaald door de verzoeker en eventueel de verwerende rechtspersoon. De Hoge Raad stelde voorop dat de Ondernemingskamer bij het gebruik van haar wettelijke bevoegdheden “een ruime mate van vrijheid in haar beoordeling” heeft en hij bevestigde nogmaals de discretionaire bevoegdheid.3 De Ondernemingskamer moet, bij de beslissing om al dan niet een enquête te gelasten, letten op de belangen van verzoekers en op de belangen van bij de rechtspersoon betrokken belanghebbenden. “Daarbij staat het belang van de rechtspersoon voorop”, aldus de Hoge Raad.
[76] Het belang van de rechtspersoon staat voorop. Dat betekent niet dat andere belangen worden veronachtzaamd. De wetgever heeft uitdrukkelijk voorzien in de behartiging van sommige andere belangen. De advocaat-generaal te Amsterdam is bevoegd een enquête te verzoeken als het openbaar belang dat vergt.4 De bevoegdheid om een enquête te verzoeken is aan verenigingen van werknemers weliswaar niet gegeven om voor werknemersbelangen op te komen, maar is afhankelijk gesteld van hun statutaire doel om die belangen te behartigen.5 Door middel van die bevoegdheid kan in de enquêteprocedure recht worden gedaan aan de belangen van de factor arbeid. Deze ruimte voor andere belangen dan die van de rechtspersoon zelf – en zijn aandeelhouders of leden – past bij de in Nederland heersende opvatting, die vaak wordt aangeduid met stakeholdersmodel.6 Daarin valt een rechtspersoon niet samen met de aandeelhouders of leden; hij wordt beschouwd als “een maatschappelijk instituut waarin een veelheid van belangen samenkomt”.7 Dat het enquêterecht als geheel niet louter met het oog op de belangen van rechtspersonen in het leven is geroepen, valt af te leiden uit de MvT bij de wijziging van het enquêterecht van 1971.8 Deze houdt in dat wordt uitgegaan van de behoefte aan vrijheid en het verantwoordelijkheidsgevoel van ondernemers, maar dat “een rechtsorde die aan onze economische orde beantwoordt” (kort gezegd) om het enquêterecht vraagt.
[77] Met het oog op het belang van de rechtspersoon en op de spoedeisende aard van de enquêteprocedure, is de Ondernemingskamer niet gebonden aan de strikte grenzen van het verzoek. Als ze van oordeel is dat het enquêteverzoek toewijsbaar is, kan ze de omvang van het onderzoek, en daarmee de periode waarover dat onderzoek zich moet uitstrekken, bepalen.9
De ATR Leasing-beslissing van de Hoge Raad bevestigt niet alleen dat het belang van de rechtspersoon voorop staat, maar illustreert ook een effect van die primaire positie: ten dienste van dat belang heeft de rechter bij zijn beslissing armslag die reikt tot buiten de grenzen van het verzoek. Dat het belang van de rechtspersoon de rechter veel beslisruimte geeft, komt ook tot uiting in de vrijheid van de Ondernemingskamer om andere (onmiddellijke) voorzieningen te treffen dan die waar de verzoeker om heeft gevraagd.10
[78] De plicht van de rechter om het belang van de rechtspersoon voorop te stellen gaat ten koste van de partijautonomie. De vrijheid van partijen is overigens niet alleen ingeperkt in de rechtspraak. De inperking is in zekere zin inherent aan de wettelijke regeling. Olden wijst op de samenhang in het enquêterecht tussen de mate waarin verzoeker dominus litis is en de centrale plaats van het belang van de rechtspersoon.11 Hij vergelijkt de door de Ondernemingskamer getroffen onmiddellijke voorzieningen en de voorlopige voorzieningen die de voorzieningenrechter treft, en wijst op het volgende verschil. In kort geding kan de eiser die met succes een voorlopige voorziening vordert, zelf nog beslissen over de tenuitvoerlegging. Voor de verzoeker in een enquêteprocedure geldt dit niet. Een onmiddellijke voorziening wordt zonder meer van kracht zodra de Ondernemingskamer de beschikking geeft.
Ook Geerts merkt op dat men grip op zijn zaak verliest als men een enquêteverzoek aan de Ondernemingskamer voorlegt.12 Dit hangt samen met het feit dat de enquêteprocedure een verzoekschriftprocedure is, waarin de rechter, in vergelijking met de procedure die vanouds met een dagvaarding werd ingeleid, een grotere vrijheid van handelen heeft. Die eigenschap van de verzoekschriftprocedure stelt de Ondernemingskamer tot actieve sturing van het proces in staat.13 Geerts brengt deze beperking, zo men wil dit verlies, van de partijautonomie niet alleen in verband met procesrechtelijke aspecten van de enquêteprocedure, maar tevens met de prominente plaats van het belang van de rechtspersoon in het enquêterecht.
[79] In het stakeholdersmodel is het belang van de rechtspersoon een enigszins ongrijpbaar begrip. In de rechtspersoon komt immers “een veelheid van belangen” samen.14 De Hoge Raad heeft het belang van de vennootschap als volgt omschreven in de zaak Cancun: “Indien aan de vennootschap een onderneming is verbonden, wordt het vennootschapsbelang in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming”.15 Het vennootschapsbelang is hier omschreven met behulp van een praktisch doel: het bestendige succes van de onderneming.16 De omschrijving sluit aan bij het praktische karakter van de enquêterecht.17 Ik meen dat in het kader van het enquêterecht ook voor rechtspersonen die geen vennootschap zijn bij deze omschrijving kan worden aangeknoopt.18 Mijns inziens kan slechts het belang van de rechtspersoon rechtvaardigen dat de Ondernemingskamer afdoet aan de partijautonomie. In zoverre zie ik een sterk verband tussen de beperking van de partijautonomie en de centrale plaats van de rechtspersoon in de enquêteprocedure. Dat gaat weer niet zover, dat slechts aan de partijautonomie zou kunnen worden afgedaan voor zover het belang van de rechtspersoon dat vergt. Dat wil zeggen: het belang van de rechtspersoon is een drempel voor inbreuk op de partijautonomie, maar bepaalt de inhoud en de mate van de inbreuk niet als de drempel is gehaald. Het spoedeisende karakter van de procedure staat aan zo’n vereiste in de weg. Voor het nauwkeurig aftasten van de grens van wat het belang van de rechtspersoon vergt, is in de spoedeisende procedure geen ruimte.