Einde inhoudsopgave
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/3.6.5
3.6.5 Aangescherpte uitgangspunten en tegenstrijdige uitvoering
Dr. B.M. van der Sar, datum 05-05-2021
- Datum
05-05-2021
- Auteur
Dr. B.M. van der Sar
- JCDI
JCDI:ADS285215:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Invordering / Inlichtingenverplichting
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Voetnoten
Voetnoten
MvT, Kamerstukken II 2005/06, 30 322, nr. 3, blz. 12-13.
NAV, Kamerstukken II 2005/06, 30 322, nr. 7, blz. 28.
Vergelijk: besluit Staatssecretaris van Financiën van 31 december 2018 (wijziging van enige uitvoeringsregelingen), nr. IZV 2018-0000208765, Stcrt. 2018, 72059 en MvT (Wet vereenvoudiging beslagvrije voet), Kamerstukken II 2016/17, 34 628, nr. 3, blz. 33-34 en blz. 55.
Art. 43c, eerste lid, onderdelen m, u en w, Uitv. Reg. AWR 1994.
Bij de herziening per 1 januari 2008 zijn de uitgangspunten uiteengezet in welke gevallen een uitzondering op de hoofdregel zou moeten worden opgenomen in een wettelijke regeling, in de ministeriële regeling of zou moeten worden bereikt door middel van een ontheffing op grond van art. 67, derde lid, AWR. Gedurende de parlementaire behandeling zijn deze uitgangspunten aangescherpt, hetgeen niet (volledig) is terug te zien in het huidige beleid. In de memorie van toelichting werd nog geen uitdrukkelijk onderscheid gemaakt tussen opname in een wettelijke- of een ministeriële regeling.1 Gevallen van structurele bekendmaking aan andere bestuursorganen zou middels beide varianten mogelijk zijn. In de nota naar aanleiding van het verslag zijn de uitgangspunten echter aangescherpt:2
De regering hanteert wel het uitgangspunt dat structurele of voorziene gegevensverstrekkingen zo veel mogelijk wettelijk geregeld moeten worden. Dit moet aan de orde komen bij nieuwe wetten of bij de aanpassing van bestaande wetten. In de toekomst zal, zo mag worden verwacht, de lijst met gegevensverstrekkingen in de ministeriële regeling dan ook beperkter worden (…). Voor zulke structurele gegevensverstrekkingen [bij samenwerkingsverbanden ten behoeve van integrale handhaving van overheidsregelingen, VDS] blijft opname in de ministeriële regeling de norm.
De ministeriële regeling is derhalve enerzijds bedoeld voor structurele gegevensverstrekkingen vooruitlopend op de invoering van een wettelijk voorschrift; bij deze tijdelijke opname van een bestuursorgaan in art. 43c Uitv. Reg. AWR 1994 zou er min of meer zicht moeten zijn op een nieuw wettelijk voorschrift c.q. aanpassing van een bestaand wettelijk voorschrift. Feitelijk is hiermee een soort van ‘zachte’ horizonbepaling ingevoerd. Het op 1 januari 2021 in werking getreden art. 43c, eerste lid, onderdeel ad, Uitv. Reg. AWR 1994, dat de informatieverstrekking ten behoeve van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet faciliteert, is dan ook regelrecht in strijd met deze aangescherpte uitgangspunten.3 Anderzijds is de ministeriële regeling bedoeld voor structurele gegevensverstrekkingen aan samenwerkingsverbanden voor de integrale handhaving van overheidsregelingen waarbij de taken van de deelnemende bestuursorganen zijn opgenomen in diverse regelingen. Voorbeelden hiervan zijn de LIEC/RIEC-samenwerking, het FEC en de LSI.4 De Staatssecretaris van Financiën handelt – in zijn hoedanigheid van uitvoerder van de belastingwet – echter afwijkend van deze aangescherpte uitgangspunten. Hierdoor is de verwachting dat de lijst met gegevensverstrekkingen in de ministeriële regeling beperkter zou worden niet uitgekomen. Bij de introductie van art. 43c Uitv. Reg. AWR 1994 schrijft de Staatssecretaris van Financiën in zijn toelichting:5
Ingeval het wenselijk is gegevens te verstrekken aan een bestuursorgaan dat (nog) niet opgenomen is in de Ministeriële regeling, kan de Minister van Financiën ontheffing van de geheimhoudingsplicht verlenen op grond van het derde lid van artikel 67 AWR. Voor zover de gegevensverstrekking aan het desbetreffende bestuursorgaan een structureel karakter krijgt, ligt het in de rede dat het bestuursorgaan bij de eerstvolgende periodieke aanpassing opgenomen wordt in de Ministeriële regeling.
De Staatssecretaris van Financiën negeert hiermee feitelijk de aanscherping door de wetgever van het uitgangspunt dat structurele of voorziene gegevensverstrekkingen zo veel mogelijk wettelijk moeten worden geregeld. Hij neemt juist als uitgangspunt dat gegevensverstrekking met een structureel karakter, ongeacht of sprake is van een samenwerkingsverband of zicht op een wettelijk voorschrift, opgenomen zouden kunnen worden in de ministeriële regeling.