Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/3.2.5.1
3.2.5.1 Geen eenduidige rechtsgrondslag
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS398306:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
W.J. de Langen, Over de rechtsgrond van belastingen en die van belastingen op de NV in het bijzonder, WPNR 1949, blz. 381-382.
J. Verburg, Vennootschapsbelasting, Fiscale Handboeken nr. 4, 2000, paragraaf 1.8.
J.A.G. van der Geld, Trends in de VPB-heffing in Nederland, TFO 2008/182, paragraaf 2.
Zie O.A.W.J. Janssen, Verslag oratie Prof. Dr. P.H.J. Essers, WFR 1992/931, paragraaf 5.4. Ook Snel concludeert dat de enige rechtvaardigingsgrond voor de vennootschapsbelasting in haar huidige vorm bestaat uit een, om praktische redenen, noodzakelijke aanvullende heffing naast de inkomstenbelasting. F.P.J. Snel, Van moeders en dochters, systemen ter voorkoming van cumulatie van vennootschapstax in deelnemingssituaties, SDU Amersfoort, 2005, blz. 46.
Brief staatssecretaris, 23 februari 2018, kenmerk 2018-0000027221, Fiscale beleidsagenda, V-N 2018/14.1.
Uit hoofdstuk 3.2.3 is gebleken dat Nederland worstelt met de rechtsgrondslag van de vennootschapsbelasting. Uit de parlementaire stukken, jurisprudentie en literatuur blijkt dat er geen eenduidige (overtuigende) rechtsgrondslag is. De Langen geeft aan dat “bij geen heffing de worsteling om de rechtsgrond bloot te leggen zo hevig is geweest als hier’’.1 Verburg vindt dat erkend moet worden dat van een gave, algemeen aanvaarde rechtsgrond voor de vennootschapsbelasting geen sprake is. Dit werd volgens hem ook in de Memorie van antwoord behorend bij het wetsontwerp VPB 1969 beaamd.2 Ook Van der Geld geeft aan dat er voor onze VPB in haar huidige vorm geen overtuigende rechtsgrondslag is te vinden.3 Tot slot wijs ik op Essers, die net als de andere auteurs van mening is dat de vennootschapsbelasting geen eenduidige rechtsgrondslag heeft. Ik ben het met hem eens dat de complementaire functie van de vennootschapsbelasting het enige is dat min of meer vaststaat, zijnde het voorkomen dat geen belasting wordt geheven over winsten die niet rechtstreeks toevallen aan ondernemers/natuurlijke personen.4 De staatssecretaris heeft de bestaansreden van de vennootschapsbelasting recentelijk nog in gelijke zin verwoord. In de fiscale beleidsagenda voor de jaren 2018-2021 geeft hij aan dat de bestaansreden wordt ontleend aan de functie die wordt vervuld, namelijk het belasten van ondernemingswinsten die als zodanig niet rechtstreeks in de inkomstenbelasting worden betrokken. De vennootschapsbelasting is derhalve complementair aan de inkomstenbelasting: uiteindelijk betalen mensen belasting, aldus de bewindsman.5
Het ontbreken van een duidelijke rechtsgrondslag voor de vennootschapsbelasting zorgt er mijns inziens voor dat niet voldaan is aan de fiscaal-beleidsanalytische toets uit mijn toetsingskader. Onder die eis versta ik mede dat van een wettelijke regeling de daaraan ten grondslag liggende doelstellingen helder en volledig moeten worden geformuleerd. Dit lijkt mij niet het geval als een overtuigende rechtsgrondslag voor de belasting als geheel ontbreekt. Samenhangend met het gebrek aan een eenduidige rechtsgrondslag voor de vennootschapsbelasting is mijns inziens de discussie over de invoering van een rechtsvormneutrale ondernemingswinstbelasting. Dit zou mijns inziens ook een oplossing kunnen zijn voor het ontbreken van een eenduidige rechtsgrondslag voor de vennootschapsbelasting. In de volgende paragraaf ga ik daar nader op in.