Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/3.4.1.5
3.4.1.5 Eigen oplossing
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232435:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Reijnen 2010.
Zie ook hierna 3.4.2.1 ten aanzien van de Städel-Paragraph.
Vgl. Boelens 2015, nr. 4.3.1.
Kamerstukken II 1999-2000, 26822, nr. 3, p. 15. Hier schreef de minister van Justitie: ‘Het vereiste dat bij de uiterste wil de erfgenaam of erfgenamen moeten zijn aangewezen, betekent dat deze personen bij het openvallen der nalatenschap identificeerbaar moeten zijn; als dat niet het geval is – bijvoorbeeld aangewezen wordt degene die de eerstvolgende Nobelprijs voor de vrede zal verwerven – dan moet ‘de erfstelling’ voor het nieuwe recht worden beschouwd als een legaat of last, naar gelang de bevoordeelde de uitkering van het saldo der nalatenschap al dan niet van de erfgenaam bij versterf kan vorderen.’
Uit het voorgaande blijkt dat de vraag op welke wijze de krachtens de conversielast opgerichte stichting het aan haar vermaakte verkrijgt, dogmatisch lastig ligt. Hiervoor voerde ik een drietal oplossingen aan uit de literatuur. De genoemde oplossingen overtuigen mij echter niet.
Eerder heb ik mij aangesloten bij de mening van Schols.1 Nog steeds meen ik dat het gewenst is de krachtens de conversielast opgerichte stichting als bestaand aan te merken ten aanzien van artikel 4:56 BW, maar met een belangrijke nuancering.
Zoals ik al schreef in 3.4.1.3 schuilt het probleem in artikel 4:115 BW, de eis van onmiddellijke identificeerbaarheid: als de erfgenamen niet tot oprichting worden gedwongen door de rechter, zou daardoor de oprichting – en dus het bestaan van een erfgenaam – afhankelijk zijn van de subjectieve wil van een derde.2 Een krachtens de conversielast op te richten stichting kan daardoor naar mijn mening geen erfgenaam zijn, zoals wel voortvloeit uit de oplossing van Schols. Tegen het zijn van legataris door de stichting heb ik geen bezwaar, daarvoor geldt de eis van onmiddellijke identificeerbaarheid uit artikel 4:115 BW immers niet.3
De vraag is dan hoe om te gaan met een erfstelling voor deze stichting die wel geacht wordt te bestaan vanaf het tijdstip van overlijden, maar geen erfgenaam kan zijn? In dat geval zal een erfstelling aan de krachtens de conversielast opgerichte stichting geduid moeten worden als een legaat.4 Een legaat blijft een legaat en een lastbevoordeling blijft een lastbevoordeling. Voor de last geldt de bestaanseis immers niet.
Een belangrijk voordeel van mijn oplossing is dat een legaat een legaat blijft. Daardoor gaat voor de krachtens de conversielast opgerichte stichting geen vorderingsrecht verloren als de erflater bedoeld had dat te verlenen.
Aan mijn oplossing kleven ook enkele nadelen. Net als bij de oplossing van Perrick en Breemhaar kan de krachtens de conversielast opgerichte stichting geen erfgenaam zijn. Dit heeft tot gevolg dat erfgenamen bij versterf dat zullen zijn, met alle (onbedoelde) gevolgen van dien: zo geldt de saisine niet voor de stichting en is zij niet aansprakelijk voor de schulden van de nalatenschap. De erfgenamen kunnen zichzelf echter voldoende beschermen tegen de vordering van de stichting door de nalatenschap te verwerpen of te aanvaarden onder het voorrecht van boedelbeschrijving.