Einde inhoudsopgave
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/5.4
5.4 Formuleringen van scheiding en verdeling
mr. T.H. Sikkema, datum 01-06-2018
- Datum
01-06-2018
- Auteur
mr. T.H. Sikkema
- JCDI
JCDI:ADS350407:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vergelijk Kleijn 1969, p. 3-5.
Suyling-Dubois 1931, nr. 283.
Asser/Meijers 1941, p. 342.
HR 20 juni 1951, NJ 1952, 559.
OM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 611.
Studiecommissie Boek 3 BW 1958, p. 199.
Van de Poll 1967, p. 29.
Kleijn 1969, p. 9.
Tuil 2009, nr. 278.
Kleijn 1969, p. 7-8.
Kleijn 1969, p. 7.
Blijkens Tuil 2009, nr. 235 onderschrijft Tuil het hierboven bedoelde principe achter de positieve formulering. Zijn definitie voldoet mijns inziens echter niet nu daarin niet wordt uitgesloten dat alle deelgenoten verkrijgen zonder dat de gemeenschap met betrekking tot ten minste een goed ten aanzien van tenminste een deelgenoot wordt beëindigd. Gedacht kan worden aan de situatie waarin uitsluitend een wijziging van breukdelen plaatsvindt. Zou Tuil menen dat ‘deelgenoot’ in zijn definitie uitsluitend in enkelvoud mag worden toegepast dan kan er wel sprake zijn van opheffing van de gemeenschap met betrekking tot ten minste een goed, maar dan miskent hij de mogelijkheid om (met uitsluiting van een of meer overige deelgenoten) aan twee of meer deelgenoten gezamenlijk toe te delen, hetgeen op grond van de hierboven in de hoofdtekst bedoelde – en door Tuil onderschreven (t.a.p.) maar niet gehanteerde – positieve formulering wel tot de mogelijkheden behoort.
Kleijn 1969, p. 8; Tuil 2009, nr. 234.
Kleijn 1969, p. 8.
Kleijn 1969, p. 8; Tuil 2009, nr. 234.
Kleijn 1969, p. 8; Tuil 2009, nr. 234.
Zonder volledigheid na te streven volgt nu een overzicht van de voornaamste opvattingen omtrent scheiding en verdeling, waarbij in chronologische volgorde een aantal definities zijn opgenomen uit zowel literatuur, jurisprudentie, als het wetgevingsproces.1
Suyling-Dubois:
‘Er moet een handeling zijn verricht, waaraan alle erven hun goedkeuring hechten; die handeling moet de gemeenschap der erven ten aanzien van een of meer hunner geheel of gedeeltelijk hebben opgeheven. In één woord, een of meer erven behooren, met aller toestemming, ten aanzien van één of meer goederen opgehouden te hebben lid van de ervengemeenschap te zijn.’2
Asser/Meijers:
‘Een scheidingshandeling is derhalve te omschrijven als iedere handeling, waartoe alle deelgenooten medewerken en die ten gevolge heeft, dat een of meer hunner ten aanzien van alle of enkele goederen der gemeenschap ophouden mede-eigenaar te zijn.’3
Hoge Raad:
‘(…) dat een overeenkomst met betrekking tot een onverdeelden boedel alleen dan als een scheiding in den zin van de artikelen 1112 e.v. B.W. kan worden beschouwd, indien alle deelgenoten medewerken tot het doen ophouden ten aanzien van een of meer hunner van den mede-eigendom in een of meer bestanddelen van den onverdeelden boedel.’4
Art. 3.7.1.11 Ontwerp Meijers:
‘Als een verdeling wordt beschouwd iedere rechtshandeling waartoe alle deelgenoten, hetzij in persoon hetzij vertegenwoordigd, medewerken, en waardoor een of meer van hen een of meer van de goederen der gemeenschap met uitsluiting van de overige deelgenoten ve[r]krijgen.’5
Rapport Studiecommissie uit de Broederschap van Notarissen in Nederland en de Broederschap der Candidaat-Notarissen voor het Ontwerp NBW voor Boek 3:
‘Als een verdeling wordt beschouwd iedere rechtshandeling, waartoe twee of meer deelgenoten, hetzij in persoon, hetzij vertegenwoordigd, medewerken en waardoor ten aanzien van een of meer van hen de onverdeeldheid betreffende een of meer van de goederen der gemeenschap wordt opgeheven.’6
Van de Poll:
‘Als scheiding wordt beschouwd iedere rechtshandeling, waartoe alle deelgenoten respectievelijk al die deelgenoten, die ten gevolgen van een zelfde rechtsfeit tot een aandeel in de gemeenschap gerechtigd worden, medewerken en waardoor een of meer van hen een of meer goederen der gemeenschap, respectievelijk dat aandeel daarin, met uitsluiting van de overige deelgenoten verkrijgen.’7
Kleijn:
‘Scheiding is iedere overeenkomst tussen alle deelgenoten in een gemeenschap, waarbij de uittreding van ten minste één deelgenoot ten opzichte van één of meer goederen der gemeenschap tot gevolg heeft, dat de overige deelgenoten gezamenlijk dit goed (deze goederen) verkrijgen of de enige overige deelgenoot dit goed (deze goederen) geheel verkrijgt.’8
Art. 3:182 BW, eerste volzin:
‘Als een verdeling wordt aangemerkt iedere rechtshandeling waartoe alle deelgenoten, hetzij in persoon, hetzij vertegenwoordigd, medewerken en krachtens welke een of meer van hen een of meer goederen der gemeenschap met uitsluiting van de overige deelgenoten verkrijgen.’
Tuil:
‘De obligatoire overeenkomst van toedeling, waarbij alle deelgenoten gezamenlijk regelen, aan welke deelgenoot, al dan niet onder de verplichting een vordering uit overbedeling te voldoen, welke gemeenschappelijke goederen zullen worden geleverd, en waarbij zij ook kunnen regelen wie van hen draagplichtig zal zijn voor welke voor rekening van de gemeenschap komende schulden.’9
Uit bovenstaande opsomming blijkt dat de omschrijvingen veelal uitgaan van het vereiste dat voor scheiding dan wel verdeling de medewerking van alle deelgenoten noodzakelijk is. Het lijdt geen twijfel dat aan de uitspraak van de Hoge Raad in dezen bijzonder gewicht toekomt; de parlementaire geschiedenis verwijst hier uitdrukkelijk naar en geconstateerd kan worden dat zowel in het Ontwerp Meijers als in het huidige art. 3:182 BW het door de Hoge Raad geformuleerd vereiste omtrent de medewerking door alle deelgenoten is opgenomen.
Naast het vereiste rond de medewerking door deelgenoten is ook de beschrijving van het rechtsgevolg van scheiding/verkrijging krachtens verdeling van belang. Op hoofdlijnen kunnen we twee wijzen van formulering onderscheiden, de negatieve en de positieve formulering.10 De negatieve formulering houdt in dat voor scheiding/verkrijging krachtens verdeling wordt vereist dat de gemeenschap ten aanzien van tenminste één goed, ten opzichte van ten minste één deelgenoot is opgeheven.11 Een dergelijke negatieve formulering treffen we aan bij onder meer Suyling-Dubois, Asser/Meijers, de Hoge Raad en de Studiecommissie uit de Broederschappen voor Boek 3 NBW. De positieve formulering maakt onderscheid tussen een of meer deelgenoten die een of meer gemeenschapsgoederen verkrijgen en deelgenoten die ophouden daarin deelgenoot te zijn. Een positieve formulering van het voor scheiding/ verkrijging krachtens verdeling vereiste rechtsgevolg treffen we onder andere(n) aan in het Ontwerp Meijers, bij Van de Poll, bij Kleijn en in art. 3:182 BW. Bij Tuil is noch sprake van een negatieve, noch sprake van een positieve formulering, althans in de zin zoals hierboven bedoeld.12
Opmerkelijk is het gegeven dat het Ontwerp Meijers, evenals de wettekst NBW, bij de vormgeving van het verdelingsbegrip de positieve formulering tot uitgangspunt neemt. Hoewel de toelichting op het Ontwerp verwijst naar de opvatting van de Hoge Raad als naar geldend recht, heeft Meijers toch aanleiding gezien de door de Hoge Raad – evenals de door hemzelf – gehanteerde negatieve formulering niet te gebruiken. Tegen de negatieve formulering is in de literatuur aangevoerd dat als nadeel daarvan heeft te gelden het feit dat wanneer de deelgenoten een of meer gemeenschapsgoederen zouden verkopen aan een derde, een dergelijke verkoop eveneens zou kwalificeren als scheiding/verdeling.13 Stel A, B en C zijn gerechtigd tot een gemeenschap, ieder voor een derde gedeelte. De drie deelgenoten besluiten een gemeenschapsgoed te verkopen aan een derde D. In de hierboven weergegeven definities van Suyling-Dubois, Asser/Meijers, de Hoge Raad en de Studiecommissie uit de Broederschappen voor Boek 3 NBW zou gelezen kunnen worden dat deze verkoop een scheiding/verdeling oplevert.14 Is daarmee het op negatieve wijze formuleren van het rechtsgevolg onbruikbaar geworden? Dit hoeft niet het geval te zijn, indien het hier aangevoerde bezwaar wordt weggenomen door het onderkennen dat voor scheiding/verdeling voldaan moet worden aan de eis dat deze als handeling plaatsvindt tussen deelgenoten.15 Hoewel deze eis niet expressis verbis in bovenbedoelde formuleringen is opgeno- men, wordt in de literatuur op dit punt wel aangenomen dat deze eis als zodanig vanzelfsprekend heeft te gelden, dat deze moet worden beschouwd stilzwijgend onderdeel uit te maken van de negatieve formulering.16 Wel kan gesteld worden dat bij de positieve formulering zich een dergelijke problematiek niet voordoet. Doordat de positieve formulering onderscheid maakt tussen (een of meer) deelgenoten die (een of meer) gemeenschapsgoederen verkrijgen en zij die ophouden daarin deelgenoot te zijn, kan de verkrijging van een gemeenschapsgoed door een derde nimmer krachtens scheiding/verdeling plaatsvinden.
Met de weergave van bovenstaande meningen over de formulering van scheiding en verdeling, kom ik nu toe aan een nadere verkenning van art. 3:182 BW, te beginnen met een beschouwing over het daarin geformuleerde rechtsgevolg.