Einde inhoudsopgave
Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/6.5
6.5 Geld
Johanna Bernadine Spath, datum 01-04-2010
- Datum
01-04-2010
- Auteur
Johanna Bernadine Spath
- JCDI
JCDI:ADS622598:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook over de andere functies van geld als rekeneenheid en vermogensbewaarmiddel: Mijnssen 1984, p. 1-2; Rank 1996, p. 16-17; Mijnssen 2004, p. 100; Bierens 2009, p. 11 e.v.
Vgl. Aristoteles, zoals aangehaald door Snijders 2004, p. 87: 'Om handel mogelijk te maken, moeten alle goederen enigszins vergelijkbaar zijn. Met het oog hierop is geld ontstaan, dat in zekere zin het intermediair is.' Zie ook Rank 1996, p. 8: 'Geld is het middel dat alle waarden verbindt.'
Aangenomen wordt hierbij en in het navolgende dat niet het totale vermogen van de betrokkenen belast is met vruchtgebruik of een andere te handhaven aanspraak.
Daarnaast kan geld van belang zijn bij toepassing van art. 5:8 BW en 61 Fw en in de toekomst eventueel bij art. 3.6.8 en 3.6.13 voorontwerp Iw. In het navolgende wordt aan art. 5:8 BW en 61 Fw wegens hun feitelijk beperkte rol, geen afzonderlijke aandacht besteed. De uitkomsten gelden echter in beginsel voor deze toepassing van zaaksvervanging.
Zie Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1340; HR 5 oktober 2007, NJ 2008, 296, waarin sprake is van zaaksvervanging ten aanzien van kapitaal waarop een fideicommis van toepassing is. Zie ook ten aanzien van vergelijkbare problemen bij een effectenrekening op naam: HR 9 januari 1998, NJ 1999, 285 (MeesPierson/Bos).
Zie Rank 1996, p. 158: 'Met de term gangbaar chartaal geld wordt gedoeld op geldvoorwerpen die op het tijdstip van de betaling courant zijn in het land in welks valuta de betaling geschiedt.'
Zie Snijders 1972, p. 176 voor zijn veelvuldig geciteerde passage waarin chartaal geld wordt vergeleken met een leger mieren en giraal geld met 'een reusachtige poliep die als gevolg van een overschrijving van de ene rekening naar de andere één arm, bestaande in een vordering van de schuldenaar, intrekt en daartegenover een nieuwe arm, in de vorm van een vordering van de schuldeiser uitstulpt.'
Zie Bierens 2009, p. 23: 'Chartaal geld behoort bovendien tot de vervangbare zaken of soortzaken.'
Vgl. Sagaert 2003, p. 333: 'Giraal geld is daarentegen het geheel van fondsen dat ingeschreven staat als rekeningtegoed bij een financiële instelling en waarover de titularis op elk ogenblik en zonder formaliteiten kan beschikken.'
210.
Een vervangingsketen zoals beschreven in paragraaf 5.3.6, waarbij verschillende malen achter elkaar zaaksvervanging optreedt en het surrogaat van een eerdere vervanging bij de opvolgende vervanging de functie van oorspronkelijk goed vervult, is bijna ondenkbaar zonder dat in één van de schakels geld een rol speelt. Geld is immers het ruilmiddel bij uitstek,1 waardoor het bij zaaksvervanging vaak een noodzakelijke intermediair2 is om bijvoorbeeld van een met vruchtgebruik belaste auto tot een met vruchtgebruik belaste elektrische fiets te komen. Eerst wordt de auto vervangen door een vordering tot betaling van de koopsom, daarna wordt deze voldaan en is het ontvangen geld het nieuwe surrogaat, dat in de opvolgende stap kan worden ingezet om de beoogde tweewieler met hulpmotor te verkrijgen.3 Door de beperkte reikwijdte van sommige vervangingsbepalingen kan geld echter niet in alle gevallen als surrogaat optreden. Met name bij de toepassing van art. 3:213, 3:246 lid 5 en 3:167 BW speelt geld als surrogaat een rol.4
Gezien de functie van geld in het rechtsverkeer en de ratio van zaaksvervanging, waarmee in bepaalde gevallen wordt beoogd dat rechten zich gedurende lange tijd kunnen voortzetten op diverse opeenvolgende goederen, kan worden aangenomen dat het uitgangspunt van de wetgever is dat geld als surrogaat kan functioneren. Wanneer zaaksvervanging ten aanzien van geld is uitgesloten, wordt de bescherming door de hiervoor genoemde bepalingen immers een wassen neus. De aanname dat geld als vervangend goed op kan treden, blijkt breed gedragen gezien de parlementaire toelichting op art. 3:246 lid 5, het door de Commissie Insolventierecht voorgestelde art. 3.6.8 voorontwerp lw en in indirecte zin uit uitspraken van de Hoge Raad.5 In het navolgende wordt onderzocht in hoeverre deze veronderstelling correct is en welke maatregelen eventueel moeten worden genomen om de beoogde resultaten te realiseren.
Het centrale probleem wijkt daarbij nauwelijks af van dat in de voorgaande paragrafen. Om zaaksvervanging toe te passen moet een surrogaat aanwijsbaar zijn en blijven, hetgeen identificeerbare goederen vereist. Geld kent als goed twee gedaantes: het klassieke chartale geld bestaande uit munten en bankbiljetten6 en het modernere girale geld, bij een positief saldo bestaand uit een vordering op een bank.7 Chartaal geld kan worden geschaard onder de eerder behandelde oneigenlijke soortzaken.8 Giraal geld kan daarentegen worden gebracht onder de hiervoor besproken vorderingen op naam.9 Men heeft immers bij een batig saldo op een bankrekening recht op afgifte van een daarmee corresponderende hoeveelheid chartaal geld. Deze vordering kent echter nog meer dimensies. De rekeninghouder kan de bank ook verzoeken zijn rekening te debiteren en een gelijkluidend bedrag bij een genoemde ander te crediteren. Naast het opnemen van giraal geld kan het dus ook worden 'overgemaakt'. Het is de vraag of de tenaamstelling van deze vordering als onderdeel van de rechtsverhouding tussen bank en rekeninghouder, op het punt van de publiciteit even flexibel is als hierboven onder 6.4 voor andere vorderingen op naam is aangenomen. Giraal geld kan moeilijk los worden gezien van deze rechtsverhouding en daarom wordt hieronder afzonderlijk onderzocht of giraal geld als surrogaat bij zaaksvervanging op kan treden. Eerst wordt echter gekeken in hoeverre de in paragraaf 6.2.3 getrokken conclusies ook op chartaal geld van toepassing zijn.
Effecten functioneren op een deels vergelijkbare wijze in het rechtsverkeer. Enerzijds zijn het roerende, vervangbare zaken, toonderstukken, die vergelijkbaar zijn met chartaal geld. Anderzijds worden effecten in toenemende mate centraal bewaard en vindt handel hierin plaats door middel van overdracht van de corresponderende vorderingen op de bewaarder. Deze vorderingen vertonen grote overeenkomsten met giraal geld. Hetgeen hierna wordt opgemerkt over beide vormen van geld kan daarom in beginsel ook van toepassing worden geacht op zogenoemde Wge-effecten.10
6.5.1 Chartaal geld6.5.2 Giraal geld