Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/2.6.1
2.6.1 Nevenvoorziening tot gezag en omgang
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS437961:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Verdrag betreffende de bevoegdheid der autoriteiten en de toepasselijke wet inzake de bescherming van minderjarigen, 's-Gravenhage 5 oktober 1961, Trb. 1968, 101.
Zie bij wijze van illustratie Rb. Arnhem 16 juni 1983, NIPR 1984, 83; Rb. Arnhem 25 september 1986, NIPR 1987, 95; Rb. Rotterdam 23 maart 1987, NIPR 1987, 357(b); Rb. Leeuwarden 9 april 1987, NIPR 1987, 243; Rb. 's-Hertogenbosch 10 augustus 2001, /V/PR 2001, 255. Voorts de volgende uitspraken van de Rb. 's-Gravenhage: 28 januari 1992, NIPR 1992, 187; 16 maart 1992, NIPR 1993, 244; 26 mei 1992, /V/PR 1992, 332; 25 januari 1995, NIPR 1995, 343; 28 juni 1995, NIPR 1995, 498; 15 mei 1996, NIPR 1996, 222; 16 oktober 1996, NIPR 1997, 83. Zie ook D. Kokkini-Iatridou, `Overzicht de Nederlandse Rechtspraak. Internationaal Privaatrecht. Gezag over minderjarigen', WPNR (1987) 5817, p. 96-97, (1985) 5726, p. 78-81; M. Sumampouw, 'Jurisprudentie. Internationaal privaatrecht: gezagsvoorziening. Overzicht 1988-1989', FJR 1990, p. 133-137.
Sluijk (1976), p. 6 e.v.; D. Kokkini-Iatridou, WPNR (1987) 5817, p. 97, (1979) 5498, p. 650; noot van Schultsz onder HR 18 december 1987, NJ 1988, 830; H. Lenters, Advocatenblad 1989, p. 463; G.E. Schmidt, 'Rechtsmacht inzake gezag en omgang', 1VIPR 2003, p. 127. In deze zin ook Hof Den Bosch 30 september 1982, NJ 1983, 732 (JCS); Hof Amsterdam 9 januari 1985, 1VIPR 1985, 232; Hof Leeuwarden 9 januari 1985, NJ 1985, 639; Hof Leeuwarden 17 april 1985, 1VIPR 1985, 233 en 371; Hof Amsterdam 30 mei 1988, 1VIPR 1988, 488; Rb. 's-Gravenhage 16 juli 2001, NJPR 2001, 249.
In vergelijkbare zin Rb. 's-Hertogenbosch 10 augustus 2001, 1VIPR 2001, 255; Rb. Haarlem 9 april 2002, NJPR 2002, 98.
Instemmend: A. Wendels, 'Enige aantekeningen bij de intrekking van de voorbehouden ex artikel 13 en 15 van het Haagse Kinderbeschermingsverdrag van 1961', TREMA 1984, p. 94; M. Sumampouw, 'Het Haagse Kinderbeschermingsverdrag en enkele recente uitspraken (kanttekeningen bij NIPR 1987, nr. 97, 98, 108, 115)', 1VIPR 1987, p. 180.
Zie bijv. de volgende uitspraken van de Rb. 's-Gravenhage: 12 oktober 1993, NJPR 1994, 222; 13 april 1994, 1VIPR 1994, 379(a); 22 mei 1996, NJPR 1996, 223; 24 juli 1996, 1VIPR 1996, 377; 12 februari 1997, NJPR 1997, 204; 11 maart 1998, NJPR 1998, 183; 7 februari 2001, 1VIPR 2001, 184; 22 augustus 2001, NJPR 2001, 253.
Sluijk (1976), p. 12-13; Wendels (1983), p. 9; D. Kokkini-Iatridou, WPNR (1987) 5817, p. 97.
Besproken door M. Sumampouw, FJR 1990, p. 134.
Zie voor vergelijkbare gevallen Rb. Amsterdam 16 januari 1975, NJ 1975, 375; Hof Amsterdam 24 maart 1977, NJ 1978, 18; Hof Leeuwarden 28 juni 1978, NJ 1980, 50.
Zie ook conclusie A-G Franz, onder nr. 4, voor HR 18 december 1987, NJ 1988, 830 (ICS): `(E)en aanknoping kan ook gelegen zijn in een belang bij het treffen van een gezagsvoorziening hier te lande. (...) Met het toereikende belang is dan tevens de voldoende aanknoping met de Nederlandse rechtssfeer gegeven (...).'
Zie bijv. de volgende uitspraken van de Rb. 's-Gravenhage: 29 augustus 1988, NIPR 1988, 506; 28 januari 1991, NIPR 1991, 80(c); 6 juli 1994, NIPR 1994, 395; 19 oktober 1994, NIPR 1995, 214; 15 maart 1995, NIPR 1995, 349; 14 juni 1995, NIPR 1996, 191; 20 december 1995, NIPR 1996, 210d; 20 november 1996, NIPR 1997, 85a; 20 november 1996, NIPR 1997, 85b; 12 februari 1997, NIPR 1997, 202; 23 april 1997, NIPR 1997, 207; 21 mei 1997, NIPR 1997, 208; 8 november 1999, NIPR 2000, 16; 5 juli 2000, NIPR 2001, 7.
Zie bijv. de volgende uitspraken van de Rb. 's-Gravenhage: 12 oktober 1992, NIPR 1992, 355; 1 september 1993, /V/PR 1993, 429; 20 oktober 1993, NIPR 1993, 433;17 augustus 1994, /V/PR 1994, 400. Voorts Hof Den Bosch 30 september 1982, NJ 1983, 732 (ICS); Rb. Zutphen 31 maart 1983, NIPR 1983, 287; Rb. Alkmaar 4 oktober 1984, NIPR 1985, 121; Hof Leeuwarden 9 januari 1985, NJ 1985, 639; Hof 's-Gravenhage 20 november 1998, NIPR 1999, 57.
Kritiek bij D. Kokkini-Iatridou, WPNR (1987) 5817, p. 97.
De Nederlandse rechter bij wie een procedure tot echtscheiding aanhangig was, kwam tevens rechtsmacht toe tot het treffen van nevenvoorzieningen waaronder die tot gezag en omgang met betrekking tot kinderen. Dit was bij uitstek het terrein waarop forum non conveniens werd toegepast. De gewone verblijfplaats van het kind was de belangrijkste aanknopingsfactor. Had het kind zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van een staat die partij was bij het Haagse Kinderbeschermingsverdrag 1961 (verder: HKbV 1961),1 bijvoorbeeld Frankrijk, dan waren de rechterlijke autoriteiten van deze staat bevoegd tot het nemen van de verzochte maatregelen (art. 1 jo. art. 13 HKbV 1961). De Nederlandse rechter was dan onbevoegd. Had het kind zijn gewone verblijfplaats in een staat waarvoor het HKbV 1961 niet gold, bijvoorbeeld China, dan verklaarde de Nederlandse rechter zich in beginsel forum non conveniens. De Nederlandse rechter liet de behandeling van de zaak dan over aan het 'natuurlijke' forum van de gewone verblijfplaats van het kind, wiens rechtssfeer daarbij veel meer betrokken was.2 De zaak moest dan wel opnieuw in het buitenland aanhangig worden gemaakt.
Teleurstellend was dat, als de Nederlandse echtscheidingsrechter zich ten aanzien van het nevenverzoek tot gezag en het omgangsrecht forum non conveniens verklaarde, zulks geschiedde op basis van ongeschreven regels naar analogie ontleend aan het HKbV 1961. Een verwijzing naar art. 429c Rv oud bleef daarom veelal achterwege. In de literatuur werd deze gang van zaken terecht bekritiseerd. Buiten het toepassingsgebied van het HKbV 1961 moest de commune rechtsmacht van de Nederlandse rechter bepaald worden aan de hand van art. 429c Rv oud, inclusief het daarin opgenomen forum non conveniens.3 Bij de invulling van de verbondenheidstoets kon hooguit inspiratie worden geput uit de bevoegdheidsregeling van het HKbV 1961, doorslaggevend kon het HKbV 1961 echter niet zijn. Deze visie vond steun in HR 18 december 1987, NJ 1988, 830 (JCS):
`3.2.3 (...) [V]oor de beantwoording van de vraag of de Nederlandse rechter, als hem rechtsmacht toekomt om te beslissen op een vordering tot echtscheiding, tevens rechtsmacht heeft ten aanzien van de daaraan verbonden vordering te voorzien in het gezag na echtscheiding, (moet) ook als voormeld verdrag [HKbV 1961, F I] niet van toepassing is, steun worden gezocht in de beginselen van dat verdrag in verhouding met de aan het tweede lid van art. 429c Rv ten grondslag liggende gedachte (ā¦).ā4
Desalniettemin bleek een meerderheid binnen de rechterlijke colleges meer oog te hebben voor een reflexwerking van het HKbV 1961 in commune gevallen. De bevoegdheidsregels van het HKbV 1961 werden ook toegepast op gevallen die er formeel niet onder vielen.5 Met name de krachtens art. 429c Rv oud meer subsidiair bevoegde Rb. ' s-Gravenhage bleek een uniforme behandeling van verdragsgevallen en niet-verdragsgevallen voor te staan. Zelden trof men bij deze rechtbank een verwijzing aan naar het forum non conveniens van art. 429c Rv oud. Volstaan werd met een verwijzing naar ongeschreven recht ontleend aan de bevoegdheidsregeling van het HKbV 1961. Het dictum, dat ook bij andere gerechten ingang vond, luidde doorgaans: `Krachtens ongeschreven regels van Nederlands internationaal privaatrecht, naar analogie ontleend aan art. 1 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 5 oktober 1961, Trb. 1968, 101, komt de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toe om in het gezag over de minderjarige te voorzien, nu de gewone verblijfplaats van de minderjarige buiten Nederland is gelegen.'6Waar gebruik kon en, mijns inziens, zelfs moest worden gemaakt van de voor commune gevallen geschreven forum non conveniensregel uit art. 429c Rv oud, verwees de rechtbank merkwaardigerwijs naar ongeschreven recht naar analogie ontleend aan het HKbV 1961.
Hoewel de rechter van de gewone verblijfplaats van het kind het 'natuurlijke' forum was, kwam hem geen exclusieve rechtsmacht toe. De Nederlandse rechter zag af van forum non conveniens, indien het (Nederlandse) kind er belang bij had dat niet de rechter van zijn gewone verblijfplaats maar de Nederlandse rechter een gezagsen/of omgangsmaatregel trof. Met een beslissing van de Nederlandse echtscheidingsrechter was dan een erkenbaar belang gemoeid, zodat voldoende binding met de Nederlandse rechtssfeer was gegeven.7 Dit gebeurde naar analogie van art. 4 HKbV 1996, welk artikel bevoegd verklaart de gerechten van de verdragsstaat waarvan het kind onderdaan is. Zie in dit verband Hof Leeuwarden 9 januari 1985, NJ 1985, 639.8 De zaak handelt over rechtsmacht inzake een nevenverzoek tot gezag over (o.m.) twee in het buitenland verblijvende kinderen van vreemde nationaliteit. De rechtbank achtte zich onbevoegd. Het hof wees het volgende tussenarrest:
`Nu beide pp. zich hebben gevestigd in Nederland, het hier om betrekkelijk jonge kinderen gaat en pp. een-en-andermaal hebben gesteld die kinderen te laten overkomen, ziet het hof aanleiding pp. in de gelegenheid te stellen nadere inlichtingen te verschaffen. Met name, indien er sprake is van concrete aanwijzingen dat de kinderen binnen afzienbare tijd naar Nederland zullen overkomen, zou kunnen worden geoordeeld dat een erkenbaar belang aanwijsbaar is dat hier te lande een beslissing omtrent het gezag wordt gegeven.'
Ter comparitie verklaarden partijen dat de kinderen in Maleisiƫ verbleven omdat partijen niet over voldoende geld beschikten om hen over te laten komen, maar dat zij inmiddels zoveel geld hadden gespaard dat het mogelijk was geworden om een van de kinderen naar Nederland te halen en dat het ook de bedoeling was dat het andere kind hiernaartoe zou komen. Voorts verklaarden partijen het erover eens te zijn dat de vrouw als voogdes over beide kinderen werd benoemd. Volgens het hof beschikten partijen daarmee over een erkenbaar belang om hier te lande een beslissing te verkrijgen:
`Uit de inhoud van de verklaring van beide pp. is naar voren gekomen dat er een erkenbaar belang aanwijsbaar is dat hier te lande een beslissing omtrent het gezag wordt gegeven. Voor K. ligt dit zonder meer voor de hand, omdat dat kind inmiddels in Nederland zijn gewone verblijf heeft. Met betrekking tot J. kan worden aangenomen dat dit kind, evenals dit met K. het geval is geweest, binnen afzienbare tijd naar Nederland zal overkomen. Uit het vorenoverwogene volgt dat de Rb. ten onrechte zich niet bevoegd heeft geacht om in het gezag over de minderjarige K. en J. te voorzien. De grief is terecht voorgedragen. Nu pp. het omtrent de gezagsregeling eens zijn zal het hof overeenkomstig hun wens in het gezag voorzien.'9
Deze uitspraak stond niet op zichzelf. Het was vaste lagere rechtspraak dat de Nederlandse echtscheidingsrechter zich ondanks de buitenlandse gewone verblijfplaats van het kind bevoegd achtte ter zake van het nevenverzoek tot gezag en het omgangsrecht, indien het belang van het kind daarbij was gediend. Het belang van het kind creƫerde dan als het ware voldoende binding met de Nederlandse rechtssfeer.10 Zo werd de tussenkomst van de Nederlandse rechter in het belang van het kind geacht, indien de ouders onderling overeenstemming hadden bereikt over de gezags- en/of omgangsmaatregel.11 Dat was ook het geval, indien voldoende aannemelijk was geworden dat het kind binnen afzienbare tijd naar Nederland zou (terug)komen om zijn gewone verblijfplaats hier te vestigen 12 In beide gevallen verklaarde de Nederlandse rechter zich naar analogie van art. 4 HKbV 1961 bevoegd, zodat de uitoefening van rechtsmacht zich in beginsel beperkte tot gevallen waarin Nederlandse kinderen waren betrokken.13