Gewogen rechtsmacht in het IPR
Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/2.6.4:2.6.4 Verklaring van vermoedelijk overlijden
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/2.6.4
2.6.4 Verklaring van vermoedelijk overlijden
Documentgegevens:
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS437954:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Conclusie A-G Franz, onder nr. 8.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In HR 20 januari 1984, NJ 1984, 751 (JCS) ging het om een verzoek van een tot Nederland toegelaten Uruguayaanse vluchtelinge, strekkende tot een verklaring van (vermoedelijk) overlijden van haar Uruguayaanse echtgenoot te Argentinië. Volgens het hof bood de omstandigheid dat verzoekster na de vermissing van haar echtgenoot naar Nederland vluchtte en sindsdien hier te lande als politiek vluchtelinge verbleef onvoldoende aanknopingspunten voor de uitoefening van rechtsmacht door de Nederlandse rechter. Was de Nederlandse rechter forum non conveniens? Volgens de Hoge Raad waren er met de rechtsgevolgen van een verklaring van vermoedelijk overlijden `aanmerkelijke en gerechtvaardigde in Nederland gesitueerde belangen gemoeid'. Dit belang was gelegen in de gevolgen van een Nederlandse beslissing voor de persoonlijke staat van verzoekster alsmede van haar jongste hier te lande geboren dochter; verzoekster moest rechtens als gehuwd worden beschouwd met haar vermiste echtgenoot terwijl zij feitelijk samenwoonde met een ander en uit deze relatie een kind was geboren. Verzoekster had, tevergeefs, pogingen gedaan in Uruguay en Argentinië duidelijkheid te verkrijgen over het lot van haar echtgenoot. Het adiëren van de Nederlandse rechter was voor verzoekster een ultimum remedium; zij zou in de voor haar relevante jurisdicties (Uruguay, Argentinië) geen bevoegde rechter vinden. De verbondenheid met de Nederlandse rechtssfeer ging geheel op in het element van het erkenbaar belang.1 De Hoge Raad in r.o. 3.3:
`Waar verzoekster en haar echtgenoot, naar het Hof heeft vastgesteld, in 1974, resp. 1975 om politieke redenen hun vaderland Uruguay zijn ontvlucht naar Argentinië, terwijl verzoekster — nadat haar echtgenoot in 1976 in Argentinië was verdwenen — ook dat land heeft verlaten en op 17 aug. 1977 met haar dochter als vluchtelinge in de zin van art. 1(a) Vluchtelingenverdrag van Genève in Nederland is toegelaten, sinds september 1977 hier te lande woont, en hier thans samenwoont met een andere — Uruguayaanse — vluchteling van wie zij een zoon heeft gekregen, zijn er met de rechtsgevolgen van een verklaring van vermoedelijk overlijden van haar vermiste echtgenoot zodanig aanmerkelijke en gerechtvaardigde in Nederland gesitueerde belangen gemoeid, dat niet gesproken kan worden van een onvoldoende aanknoping van het verzoek met de rechtssfeer van Nederland.'