Gewogen rechtsmacht in het IPR
Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/2.6.3:2.6.3 Levensonderhoud
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/2.6.3
2.6.3 Levensonderhoud
Documentgegevens:
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS430536:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. ook Rb. Leeuwarden 14 oktober 1982, IVIPR 1983, 168; Hof Amsterdam 20 april 1983, NJPR 1983, 291; Hof Amsterdam 4 mei 1983, IVIPR 1983, 294; Hof Leeuwarden 12 maart 1986, NJPR 1988, 257; Rb. Amsterdam 26 mei 1993, te kennen uit NJPR 1996, 57.
Zie nader Verheul & Feteris, Rechtsmacht (II), p. 147-151.
Hof Amsterdam 18 november 1985, NJPR 1986, 273.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In HR 2 november 1984, NJ 1985, 697 (JCS) ging het om een verzoek tot wijziging van een Duitse alimentatiebeslissing, dat werd ingesteld door een hier te lande wonende Amerikaanse man. Op grond van de Duitse beslissing was de man verplicht tot een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn inmiddels samen met de moeder in Amerika verblijvend kind. Rechtbank en hof verklaarden zich onbevoegd. Volgens het hof had het wijzigingsverzoek onvoldoende aanknopingspunten met de rechtssfeer van Nederland, omdat:
let gehele huwelijk van pp. zich buiten Nederland heeft afgespeeld, de echtscheiding buiten Nederland is uitgesproken, geen van pp. de Nederlandse nationaliteit heeft en de enige band van pp. en hun kind met Nederland bestaat in het slechts sedert enige jaren alhier wonen en werken van de vader (...).'
De Hoge Raad besliste dat in procedures tot levensonderhoud slechts in zeldzame gevallen behoefte bestond aan de forum non conveniens-restrictie van art. 429c Rv oud. De Nederlandse woonplaats van de verzoeker/alimentatiedebiteur en de daarmee in de regel samenvallende plaats waar hij zijn inkomsten verdient waaruit de alimentatie wordt voldaan, leverden voldoende binding met de Nederlandse rechtssfeer op:
`3.3 (...) Nu de alimentatiedebiteur hier te lande woont en in de door het Hof overigens in aanmerking genomen omstandigheden geen reden kan worden gevonden voor het aannemen van een uitzondering als in 3.2 bedoeld, kan niet worden gezegd dat het verzoek tot wijziging van de door pp. indertijd ter zake van dat levensonderhoud getroffen regeling in zo onvoldoende mate aanknoping met de rechtssfeer van Nederland heeft dat rechtsmacht van de Nederlandse rechter, uit internationaal oogpunt, niet passend zou zijn. Deze slotsom strookt met het bepaalde in de art. 3 Haags Verdrag van 1958 betreffende erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen met betrekking tot kinderalimentatie en 7 Haags Verdrag van 1973 betreffende erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen met betrekking tot onderhoudsverplichtingen, welke beide verdragen behalve door Nederland door een groot aantal Staten zijn geratificeerd.'1
Het was een misvatting om te menen dat het verzoek tot alimentatiewijziging altijd voldoende aanknopingspunten met Nederland had, indien dit verzoek betrekking had op een eerder gegeven Nederlandse alimentatiebeslissing. De Hoge Raad gaf dit expliciet aan in zijn beslissing van 13 februari 1987, NJ 1987, 1014 (JCS). Het ging hierin om een door de Canadese man ingesteld verzoek tot wijziging van een in het kader van een Nederlandse echtscheidingsprocedure gewezen beslissing inzake alimentatie ten gunste van de Canadese vrouw. Beide partijen hadden hun woonplaats in Canada. Art. 828a lid 4, tweede volzin Rv oud bepaalde dat de (toen nog) vordering tot wijziging van alimentatie aanhangig kon worden gemaakt bij de rechtbank die over de oorspronkelijke vordering had beslist.2 Volgens de Hoge Raad vloeide uit het bepaalde in art. 828a lid 4, tweede volzin Rv oud niet het tegendeel voort van het forum non conveniens in art. 429c Rv oud; het feit dat de Nederlandse rechter een alimentatiebeslissing had gewezen betekende niet dat de Nederlandse rechterforum conveniens was met betrekking tot alle in het vervolg in te stellen wij zigingsverzoeken. Ook in dat geval was hij verplicht om na te gaan of het verzoek al dan niet voldoende binding met Nederland had. Volgens het hof had de Nederlandse rechter geen rechtsmacht:
`Gelet op de hiervoor (...) vermelde feiten en omstandigheden is het verzoek van de man in zo overwegende mate verbonden met de rechtssfeer in Canada en heeft dat verzoek zo weinig aanknopingspunten met de rechtssfeer in Nederland, dat de Nederlandse rechter in dit geval geen rechtsmacht toekomt.'3
De enige binding met Nederland bestond uit het feit dat de man van 1968 tot 1975 in Nederland heeft gewoond en gewerkt, de Rb. Amsterdam de echtscheiding tussen partijen heeft uitgesproken en de man heeft veroordeeld tot betaling van alimentatie, en ten slotte het pensioen van de man voor 20% afkomstig is van een Nederlandse werkgever. Het belangcriterium schoot de man evenwel te hulp. Ditmaal was het belang gelegen in het voorkomen van een negatief rechtsmachtconflict (`déni de justice' ). Volgens het Canadese recht was alleen de rechter die destijds het levensonderhoud heeft vastgesteld, bevoegd om daarin een wijziging aan te brengen. Hiermee had de man een zodanig belang bij een Nederlandse beslissing dat geen sprake kon zijn van 'onvoldoende aanknopingspunten met de rechtssfeer van Nederland.' De Hoge Raad:
`3.3 (...) Dit oordeel [van het hof, Fl] geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. In het bijzonder heeft te gelden dat wanneer, naar in voormeld betoog van de man ligt besloten, de rechter van het land waarvan pp. de nationaliteit hebben en waar zij hun woonplaats hebben, volgens het daar geldende recht niet bevoegd is om kennis te nemen van een verzoek tot wijziging van een beslissing van de Nederlandse rechter over een uitkering tot levensonderhoud, de in beginsel uit art. 828a vierde lid tweede volzin voortvloeiende rechtsmacht van de Nederlandse rechter niet opzij wordt gezet door art. 429c tweede lid. Immers, het belang van verzoeker om in een zodanig geval een beslissing te kunnen verkrijgen van de Nederlandse rechter, die in beginsel aan art. 828a, vierde lid tweede volzin rechtsmacht ontleent, noopt tot de conclusie dat het ervoor moet worden gehouden dat zich alsdan niet voordoet het geval dat let verzoek onvoldoende aanknoping met de rechtssfeer van Nederland heeft' in de zin van laatstgenoemde bepaling.'