Totdat het tegendeel is bewezen
Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VI.2.1.4:VI.2.1.4 Benadering in de richtlijn
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VI.2.1.4
VI.2.1.4 Benadering in de richtlijn
Documentgegevens:
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS595139:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De richtlijn, ten slotte, geldt vanaf “the moment when a person is suspected or accused of having committed a criminal offence, or an alleged criminal offence, and, therefore, even before that person is made aware by the competent authorities of a Member State, by official notification or otherwise, that he or she is a suspect or accused person.”1 Dat is een in vergelijking met de Straatsburgse rechtspraak tamelijk extensieve uitleg van het aanvangsmoment van de charge. Onduidelijk is of hiermee is bedoeld bejegeningswijzen die aan de charge in de zin van artikel 6 EVRM voorafgaan ook binnen het bereik van de richtlijn te brengen. De overweging laat zich zo lezen dat de richtlijn bij iedere beschuldiging of verdenking en derhalve bij iedere bejegening als schuldige aan een strafbaar feit van toepassing is.
Is een strafprocedure eenmaal geëindigd, dan is de richtlijn niet meer van toepassing: “[l]egal actions and remedies which are available only once that decision has become definitive, [...] should not fall within the scope of this Directive”.2 Een voorstel van het EP om de richtlijn ook te doen gelden voor na vrijspraak geuite beschuldigingen heeft het niet gehaald.3