Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/7.7.4.2
7.7.4.2 Zeggenschap versus eenheid
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS296751:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
De bespuitingswerkzaamheden werden ‘ter uitoefening van’ het bedrijf van de kweker verricht in de zin van art. 6:171.
In dit perspectief past ook de casus in Rb. Breda 16 februari 2011, JA 2011/55 (Keller Keukens), waarin een keukenfabrikant het montagewerk steevast uitbesteedt aan een zzp’er. Toen deze in het kader van het opgedragen werk een fout maakte met schade bij een derde tot gevolg, achtte de rechtbank op basis van de ‘eenheidsgeachte’ de fabrikant daarvoor aansprakelijk ex art. 6:171. Zou de schade bij het plaatsen van een keuken evenwel zijn ontstaan door een gebrekkige boormachine van de zpp’er, dan is diens opdrachtgever bij gebreke van ‘zeggenschap’ daarvoor in beginsel niet aansprakelijk als ‘gebruiker’ in de zin van art. 6:181. Hierbij valt aan te tekenen dat in contractuele relaties de vraag of de opdrachtgever (keukenfabrikant) ex art. 6:171 of 181 aansprakelijk is voor fouten of gebrekkige zaken van diens opdrachtnemer (zzp’er) van praktisch minder belang is. De benadeelde derde (de koper van de keuken) zal te dien aanzien in de regel al via art. 6:76 en 77 terechtkunnen bij de verkoper/fabrikant.
Zie in dezelfde zin Oldenhuis 2014, p. 54.
Art. 6:181 volgt zoals reeds gebleken ten opzichte van art. 6:171 zijn eigen spoor en zoekt aansluiting bij art. 6:170. Mede zodoende berust de aansprakelijkheid van art. 6:181 kort gezegd op ‘zeggenschap’, terwijl de aansprakelijkheid van art. 6:171 is gebaseerd op ‘eenheid’. Dit maakt het mogelijk dat een opdrachtgever in een bepaald geval ex art. 6:171 aansprakelijk kan zijn voor fouten van een ingeschakelde zelfstandige hulppersoon maar tegelijkertijd niet voor diens hulpzaken en vice versa. Een voorbeeld waarin de relatie tussen de opdrachtgever en zelfstandige hulppersoon wel door ‘eenheid’ werd gekenmerkt terwijl de opdrachtgever geen (beslissende) ‘zeggenschap’ had over (de risico’s verbonden aan) de zaken van de hulppersoon betreft HR 18 juni 2010, NJ 2010/389 (Koeman/Sijm Agro). Een kweker van bloembollen schakelde een zelfstandige hulppersoon in om zijn perceel grond te bespuiten met bestrijdingsmiddelen. Als gevolg van een hierbij door de hulppersoon gemaakt fout ontstond schade aan gewassen op een aangrenzend perceel van een derde. Geoordeeld werd dat de kweker ex art. 6:171 aansprakelijk was voor de fout van de spuiter, omdat beide bedrijven gezien de aard van en samenhang tussen de activiteiten van de kweker en spuiter als ‘een zekere eenheid’ konden worden beschouwd.1 Stel nu dat de spuiter geen ‘fout’ had gemaakt, maar dat tijdens diens werkzaamheden schade bij een derde was ontstaan door een gebrek in het spuitsysteem van de hulppersoon waarmee hij de bestrijdingsmiddelen toepaste. De vraag die dan rijst is of (ook) de opdrachtgever/kweker valt aan te merken als bedrijfsmatige ‘gebruiker’ van de gebrekkige zaak. In mijn ogen niet, nu de opdrachtnemer/spuiter degene is met de meest sprekende band met de aan de schadeveroorzakende zaak verbonden risico’s.2
Dan de manege die in het kader van een eenmalige open dag een luchtkussen huurt van een luchtkussenverhuurbedrijf, ter vermaak van de kinderen van potentiële nieuwe leden terwijl laatstgenoemden ter kennismaking een paardrijles kunnen volgen. Wanneer gedurende de open dag het luchtkussen een gebrek blijkt te vertonen met schade bij een derde tot gevolg, zal de aansprakelijkheid ex art. 6:173 ingevolge art. 6:181 op het manegebedrijf rusten. De manege is de bedrijfsmatige ‘gebruiker’ van de zaak, aangezien zij als professional feitelijk met het luchtkussen handelde en daarmee wordt geacht het aansprakelijkheidsrisico van schade door een (verborgen) gebrek in de zaak te hebben aanvaard. Aan deze op ‘zeggenschap’ gebaseerde benadering doet niets af dat het geven van paardrijlessen en het aanbieden van luchtkussenvermaak, gelet op de ‘eenheidsgedachte’ van art. 6:171, (uiterlijk) kenbaar en naar hun aard niet bepaald samenhangende bedrijfsactiviteiten zijn. Wel verschiet de ‘manegecasus’ omtrent het gebrekkige luchtkussen van kleur indien dit luchtkussen van het luchtkussenbedrijf wordt gehuurd inclusief bedienend personeel. In dat geval heeft het luchtkussenbedrijf zelf de (beslissende) zeggenschap over de zaak behouden, en zal ook zij – en niet (mede) de manege, die mogelijk ook qua deskundigheid en vaardigheden een zekere afstand tot het luchtkussen zal hebben – op grond van art. 6:181 jo. 173 de ‘verantwoordelijke’ zijn.3 Alleen de luchtkussenfirma kwalificeert als ‘gebruiker’ in de zin van art. 6:181. Dit geval schuurt overigens aan tegen de situatie waarin een zelfstandige hulppersoon eigen zaken meebrengt ter uitvoering van de aan hem gegeven opdracht. Ook dan is in beginsel alleen deze hulppersoon zelf de ‘gebruiker’ ex art. 6:181.