Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker
Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/7.10:7.10 Conclusie en afronding
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/7.10
7.10 Conclusie en afronding
Documentgegevens:
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS297987:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hoofdstuk 5, in het bijzonder par. 5.4.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De ‘grondgedachte’ achter de aansprakelijkheden van art. 6:173, 174, 175 en 179 is het bieden van (financiële) bescherming tegen bronnen van ‘verhoogd gevaar’ (waarom-vraag). Als kwalitatief aansprakelijke heeft te gelden degene die voor de verwezenlijking van dit gevaar ‘het meest verantwoordelijk’ kan worden geacht (wie-vraag). Deze verantwoordelijkheid berust op zeggenschap. Het gebruiksbegrip van art. 6:181 wordt dan ook met dit element ingevuld: de bedrijfsmatige ‘gebruiker’ van een roerende zaak, opstal, dier of gevaarlijke stof is degene met (de grootste mate van) zeggenschap over het schadeveroorzakende element waartegen de betreffende kwalitatieve aansprakelijkheden beogen te beschermen. De in deze algemene maatstaf bedoelde ‘zeggenschap’ kan zien op het in de hand werken of opwekken van de aan de zaak verbonden gevaren, maar ook op het kunnen treffen van maatregelen om verwezenlijking van de aan de zaak verbonden gevaren te voorkomen. Dat ‘zeggenschap’ een centrale vervult in de toepassing van art. 6:181 vindt steun in de bevinding dat art. 6:170, en nietart. 6:171, als inspiratiebron voor de uitleg van art. 6:181 heeft te gelden.1 Uit het binnen art. 6:181 dominante aspect van zeggenschap vloeien andere (praktische en economische) aspecten als opspoorbaarheid, profijt, eenheid, schadespreiding en verzekering voort of gaan daarachter als ondersteunend schuil. Nu het relevante risico verbonden aan de verschillende in art. 6:173, 174, 175 en 179 genoemde ‘bronnen van verhoogd gevaar’ niet hetzelfde is, heb ik verdedigd dat de toepassing van de term ‘gebruik’ tot verschillende uitkomsten kan leiden bij de te onderscheiden gevallen van kwalitatieve aansprakelijkheid. Mede aan de hand van diverse casusposities heb ik gezichtspunten gegeven aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of al dan niet sprake is van voldoende ‘zeggenschap’ voor de toepassing van art. 6:181. Aan de hand van de verschillende voorbeelden is tevens geïllustreerd hoe ik de concrete toepassing van een op zeggenschap geïnspireerde uitleg van art. 6:181 in voorkomende gevallen zie.
In dit hoofdstuk is ook betoogd dat in geval van een invulling van het gebruiksbegrip van art. 6:181 aan de hand van zeggenschap de tenzij-clausule van art. 6:181 lid 1 (materieelrechtelijk) overbodig is, evenzo lid 2 en 3 van art. 6:181 die zien op situaties van terbeschikkingstelling van zaken. Tot slot maakt ‘zeggenschap’ als aanknopingspunt voor aansprakelijkheid op grond van art. 6:181 mijns inziens duidelijk dat de exclusieve werking van dit artikel ten opzichte van art. 6:173, 174 en 179 gerechtvaardigd is: is een persoon bedrijfsmatige ‘gebruiker’ van andermans zaak in de zin van art. 6:181, dan wordt een ander dan de bezitter geacht in de beste positie te verkeren invloed op de aan die zaak verbonden risico’s uit te oefenen. Een kwalitatieve aansprakelijkheid – gebaseerd op een veronderstelde zorgplicht voor de zaak – van de bezitter komt dan niet (langer) billijk voor.