Einde inhoudsopgave
Pandrecht op aandelen (O&R nr. 140) 2023/3.3.1
3.3.1 Algemeen
mr. T. Hutten, datum 01-05-2023
- Datum
01-05-2023
- Auteur
mr. T. Hutten
- JCDI
JCDI:ADS706313:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Insolventierecht (V)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1973/74, 12 897, nr. 3, p. 5. Zie ook Oosterhof 2017, p. 18 die schrijft dat de pandhouder een voorwaardelijk economisch belang heeft bij de waardeontwikkeling van het aandeel.
Zie Kamerstukken II 1973/74, 12 897, nr. 6, p. 1-2.
Zie in die zin A-G Assink ECLI:NL:PHR:2019:1345 (Maud/RBS), nr. 3.6 en 3.12. Vgl. Rb. Amsterdam 4 mei 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:5819, r.o. 4.5 (Maud/RBS) die oordeelt dat het stemrecht het pandrecht op aandelen een werkbaar zekerheidsrecht maakt.
Vgl. Hamers 1996, p. 47; Stein, in: GS Vermogensrecht, art. 3:247 BW, aant. 2.2 (actueel t/m 01-01-2021). Zie bijv. Rb. Amsterdam 22 februari 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:761, r.o. 4.5 (DS Global Holdings PTE c.s./Madison Pacific Trust).
Een daling in waarde verslechtert de positie van een pandhouder, omdat een lagere executieopbrengst minder verhaal biedt. In de praktijk wordt over aandelen als pandobject daarom wel gezegd dat het een weinig comfortabele zekerheid is, zie bijvoorbeeld Schreurs 2013, p. 53. Veerbeek 2003, p. 23 merkt op ‘Zonder grip te hebben op de zeggenschapsrechten lijkt het pandrecht op aandelen voor de financier eigenlijk een dode mus.’ Vgl. Huizink, in: GS Rechtspersonen, art. 2:89 BW, aant. 5 (actueel t/m 10-12-2021).
In gelijke zin Rb. Amsterdam 4 mei 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:5819, r.o. 4.5 (Maud/RBS). Vgl. Van Daal 2008, p. 201; Hamers 1996, p. 213. Thiele 2003, nr. 127 schrijft dat dergelijke controle in het bijzonder van pas komt bij projectfinanciering.
In gelijke zin Rb. Amsterdam 4 mei 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:5819, r.o. 4.5 (Maud/RBS). Vgl. Bulten 2011, p. 139.
Vgl. Jansen & Van der Velden 2013, p. 453-454.
In gelijke zin Visser 2004, nr. 59.
Vgl. Visser 2004/14; Van Solinge 1999, p. 117. Vgl. (vruchtgebruik) Bos 2005, p. 137.
In gelijke zin Bakker 2021, p. 205; Dortmond 2013/217.1; Visser 2004, p. 2; Maeijer 1995, p. 338. Vgl. Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/65. Een wilsrecht is de bevoegdheid om eenzijdig, door uiting van een wilsverklaring, verandering te brengen in een rechtsbetrekking of rechtstoestand, zie Snijders 1999, p. 558; Suijling 1948, p. 102-103; Meijers 1948, p. 266. Niet alle wilsrechten zijn vermogensrechten in de zin van art. 3:6 BW, zie Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2021/2. Zie Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 314 (TM) m.b.t. de overdraagbaarheid van wilsrechten die vermogensrechten zijn.
84. Een aandeel kan het recht geven om te stemmen tijdens de algemene vergadering (art. 2:117/227 BW). Dit recht blijft na de verpanding van aandelen in beginsel bij de pandgever (art. 2:89/198 lid 2 BW). In de parlementaire geschiedenis is dat verdedigd met het argument dat het belang van de pandhouder in de eerste plaats slechts economisch is.1 Het belang van de pandgever bij het stemrecht weegt daarom in het algemeen zwaarder.2 Volgens de minister zullen de belangen van de pandhouder in het algemeen enkel zijn gemoeid bij het in stand houden van het vermogen van de vennootschap en de uitkering van dividend. Deze belangen worden volgens hem ook op andere wijzen beschermd. Zo zullen pandhouders volgens de minister vaak certificaathoudersrechten hebben en daardoor bijvoorbeeld bevoegd zijn om een enquête te verzoeken bij de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam. Verder zouden pandhouders volgens hem de vernietiging van een besluit kunnen vorderen voor zover het besluit is genomen in strijd met de wet, de statuten of de redelijkheid en billijkheid.
Het beeld dat de minister schetst van het beperkte belang van de pandhouder bij stemrecht verdient enige bijstelling. Wanneer de pandhouder certificaathoudersrechten heeft, dan wordt zijn belang inderdaad in een bepaalde mate beschermd, ook al heeft hij geen stemrecht. Bij bv-aandelen verkrijgt een pandhouder zonder stemrecht echter in beginsel geen certificaathoudersrechten (art. 2:198 lid 4 BW). Als een pandhouder geen zeggenschapsrechten heeft, dan is hij geen persoon die krachtens de wet of de statuten bij de organisatie van de vennootschap is betrokken in de zin van artikel 2:8 BW (§3.7.1). Daardoor is met name in die gevallen de positie van een pandhouder binnen de vennootschap zwak. Gelet daarop heeft de pandhouder er belang bij dat het stemrecht in bepaalde omstandigheden op hem overgaat.
- Belang van de pandhouder bij stemrecht
85. De toekenning van stemrecht aan de pandhouder hangt samen met de adequate werking van het pandrecht op de aandelen.3 Het stemrecht kan de pandhouder helpen zijn vermogensrechtelijke belangen te beschermen. Door de stemrechtovergang kan hij de vennootschappelijke besluitvorming beïnvloeden en soms bepaalde besluiten voorkomen.4 De certificaathoudersrechten die met het stemrecht gepaard gaan, zoals bijvoorbeeld het enquêterecht, dragen bij aan die beschermende werking (§3.4.1). Juist bij aandelen is dat voor een pandhouder nuttig, omdat de waarde daarvan kan worden uitgehold door handelingen van de vennootschap.5 Het kunnen uitoefenen van stemrecht helpt de pandhouder zijn zekerheidsobject veilig te stellen.6 De overgang van het stemrecht op de pandhouder heeft zo een zekere conservatoire werking.
Daarnaast biedt het stemrecht de pandhouder ondersteuning bij de eventuele uitwinning van zijn pandrecht. Zo kan het hem helpen bij het ‘verkoopklaar’ maken van de aandelen.7 Met het stemrecht kan de pandhouder aan de vooravond van de uitwinning van de verpande aandelen in vennootschapsrechtelijk verband besluiten bewerkstelligen ter optimalisatie van de executie. Denk daarbij bijvoorbeeld aan kwesties zoals de schorsing, het ontslag en de benoeming van bestuurders, het doorbreken van een impasse van de algemene vergadering zoals het ten behoeve van een herstructurering toestaan van een belangrijke transactie, maar ook aan (de voorbereiding van) fiscale, organisatorische en economische aangelegenheden, voor zover daarvoor besluiten van de algemene vergadering zijn vereist.8 De uitvoering van zulke besluiten kan vervolgens bijdragen aan (het behoud van) de waarde van de aandelen.
- De termen ‘toekenning’, ‘overgang’ en ‘overdracht’
86. Hoewel het stemrecht in beginsel bij de pandgever blijft, kan het worden toegekend aan de pandhouder (art. 2:89/198 lid 3 BW). De toekenning van het stemrecht moet worden onderscheiden van de overgang.9 De toekenning is de bepaling dat het stemrecht zal overgaan, en de overgang is daarvan het rechtsgevolg. Door de overgang verkrijgt de pandhouder het stemrecht.10 De pandgever verliest erdoor zijn stemrecht. In de literatuur wordt er in dat kader dikwijls gesproken van stemrechtoverdracht. Ik geef in dit boek de voorkeur aan het juridisch algemenere begrip overgang, en reserveer de term overdracht voor het resultaat van de levering van een goed door een beschikkingsbevoegde krachtens een geldige titel (§1.6). Hoewel de overdracht van wilsrechten zoals het stemrecht niet categorisch lijkt te zijn uitgesloten, is het stemrecht naar mijn mening onzelfstandig en daarom niet op zichzelf voor overdracht vatbaar. 11