Einde inhoudsopgave
Pandrecht op aandelen (O&R nr. 140) 2023/3.3.4
3.3.4 Uitoefening
mr. T. Hutten, datum 01-05-2023
- Datum
01-05-2023
- Auteur
mr. T. Hutten
- JCDI
JCDI:ADS706312:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Insolventierecht (V)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. (aandeelhouders) HR 30 juni 1944, ECLI:NL:HR:1944:BG9449 (Wennex).
Kamerstukken II 1973/74, 12 897, nr. 6, p. 1 (MvA). Vgl. (verpande vorderingen) HR 21 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:415, r.o. 3.5.2 (Immum’Âge/Neo-River); A-G Spier, ECLI:NL:PHR:2013:1650, nr. 2.6.5.
Zie Roelofs 2023, p. 14-21; Steneker 2022/2.19; Jansen & Van der Velden 2013, p. 454-455. Vgl. (geschillenregeling) A-G Assink, ECLI:NL:PHR:2019:1345, nr. 3.6 en 3.12 (Maud/RBS); Gerechtshof Amsterdam (OK) 10 juli 2018, ARO 2018/175 en 176, JOR 2019/6, r.o. 3.10 (Maud/RBS); Rb. Amsterdam 4 mei 2015, ECLI:NL:RBAMS:2016:5819, r.o. 4.5 (Maud/RBS); Rb. Amsterdam 9 juli 2008, ECLI:NL:RBAMS:2008:BD9255, r.o. 4.2 (Darenales/Millennium European Holdings II), waarover Bulten in JOR 2008/296. Vgl. (enquêteregeling) Gerechtshof Amsterdam (OK) 11 september 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:3886, r.o. 3.4 (VADA Dordrecht).
Zie §3.7.6 voor een overzicht van de argumenten met verwijzingen naar de auteurs.
Vgl. Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood 2022/67.
Vgl. Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood 2022/40.
Vgl. (aandeelhouder) Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/124 onderdeel b.
Dat een dergelijke situatie niet denkbeeldig is, blijkt bijvoorbeeld uit het feitencomplex dat ten grondslag ligt aan Rb. Amsterdam 3 december 2009, RO 2012/2 (Donetsk). Daarin werd het bestuur van de vennootschap na het intreden van verzuim (op ongeldige wijze) ontslagen door de stemgerechtigd pandhouder, zonder dat daarbij de dialoog lijkt te zijn gezocht.
Zie HR 30 oktober 1964, ECLI:NL:HR:1964:AB6473 (Mante).
Vgl. (grootaandeelhouder) Gerechtshof Amsterdam (OK), 10 februari 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:302, r.o. 4.36-4.38 (Funda).
91. Wanneer het stemrecht is overgegaan op de pandhouder rijst de vraag of er algemene richtsnoeren zijn waarnaar de pandhouder zich moet gedragen bij de uitoefening. Het antwoord daarop is naar geldend recht onzeker. Hoewel de pandhouder sinds 1976 uit eigen hoofde stemrecht kan toekomen, is de toelichting van de wetgever bij die introductie beperkt geweest. Niettemin stelt de wet op vele plekken grenzen aan de uitoefening van het stemrecht door een pandhouder. Denk bijvoorbeeld aan de geschillenregeling (art. 2:242 lid 1 BW, waarover §3.7.3), de enquêteregeling (art. 2:351 BW, waarover §3.7.4), aansprakelijkheid van een feitelijk bestuurder (art. 2:138/248 lid 7 BW), de derogerende redelijkheid en billijkheid (art. 2:8 lid 2, 6:2 lid 2, 6:248 lid 2 BW), misbruik van bevoegdheid (art. 3:13 BW) en onrechtmatige daad (art. 6:162 BW). Tot op heden is er relatief weinig rechtspraak beschikbaar waarin de uitoefening van het stemrecht door een pandhouder wordt getoetst. In de literatuur lopen de meningen erover uiteen.
Mijns inziens heeft als uitgangspunt te gelden dat de pandhouder – net zoals de pandgever – bij de uitoefening van zijn stemrecht in beginsel zijn eigen belang mag nastreven. Net zoals een aandeelhouder is een pandhouder een eigen recht gegeven om zijn belang in de vennootschap te dienen.1 Doorgaans zal het eigen belang van een pandhouder de waarborging inhouden van zijn positie als schuldeiser.2 Hij heeft belang bij het behoud van de waarde van de verpande aandelen, en de tijdige aflossing van zijn vordering. Het stemrecht staat hem daarbij als pandhoudersbevoegdheid ten dienste, en vervult een legitieme rol bij de bescherming van zijn eigen belang. Zowel in de literatuur, als in de rechtspraak vind ik steun voor deze opvatting.3 Er zijn echter ook auteurs die menen dat de pandhouder slechts ‘beperkt stemgerechtigd’ is, en dat hij bij de uitoefening bijvoorbeeld is gebonden aan de belangen van de pandgever.4 De argumenten die daarvoor worden aangevoerd, vind ik niet overtuigend. Ik analyseer ze in §3.7.6.
Dat een pandhouder zijn eigen belang mag nastreven, betekent niet dat een pandhouder zich bij de uitoefening van zijn stemrecht uitsluitend mag laten leiden door zijn eigen belang.5 Net als voor een aandeelhouder, bestaan er belangrijke correcties op het uitgangspunt dat een pandhouder zijn eigen belang mag nastreven. Steeds zal hij bij de uitoefening van zijn stemrecht moeten blijven binnen de grenzen die de wet daaraan stelt, en rekening moeten houden met het vennootschappelijk belang, de belangen van de pandgever, en de belangen van de andere bij de organisatie van de vennootschap betrokken personen.6 Daarbij geldt dat naar mate zijn invloed op de vennootschap groter is, de mate waarin hij rekening moet houden met andere belangen ook groter is.7 Wanneer hij de meerderheid van het stemrecht in de algemene vergadering kan uitoefenen, mag hij met zijn zeggenschap bijvoorbeeld niet zijn zin doordrijven zonder daarbij vooraf de dialoog te hebben gezocht met de pandgever en de bij haar organisatie van de vennootschap betrokken personen.8 Uit het Mante-arrest van de Hoge Raad kan verder worden afgeleid dat ook wanneer er wordt voldaan aan alle formele (oproepings)vereisten, een pandhouder niet mag overgaan tot het nemen van besluiten over onderwerpen waarbij de belangen van bepaalde bij de organisatie van de vennootschap betrokken personen in bijzondere mate zijn betrokken zonder daarbij voldoende te hebben gecontroleerd of deze personen genoegzaam in de gelegenheid zijn gesteld deel te nemen aan deze besluitvorming.9 Verder moet de pandhouder, wanneer hij de overgrote meerderheid van de stemmen in een orgaan kan uitoefenen, bij zijn stemgedrag een redelijke mate van openheid bieden met betrekking tot de plannen die hij heeft. Hij mag de bij de organisatie van de vennootschap betrokken personen over de toekomst van de vennootschap en zijn (tijdelijke) betrokkenheid niet onnodig lang in het ongewisse laten.10