Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VI.2.1.2
VI.2.1.2 Benadering van het VN Mensenrechtencomité
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS593971:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
CRM 22 oktober 2008, nr. 1472/2006, par. 10.11 (Sayidi en Vinck/België).
CRM 6 november 2003, nr. 1090/2002, par. 7.4 (Rameka e.a./Nieuw Zeeland).
CRM 29 juli 1997, nr. 761/1997, par. 4.3 (Singh/Canada).
CRM 28 juli 1989, nr. 207/1986 (Morael/Frankrijk).
CRM 29 april 2014, nr. 2155/2012 (Paksas/Litouwen).
CRM 23 juli 2014, nr. 2009/2010, par. 6.5 (Ilyasov/Rusland).
CRM 20 maart 2007, nr. 1341/2005, par. 6.7 (Zundel/Canada), vgl. ook CRM 14 oktober 2002, nr. 852/1999 (Borisenko/Hongarije).
CRM 7 augustus 2003, nr. 1020/2001, par. 7.6 (Cabal en Pasini Bertran/Australië).
CRM 22 juli 1992, nr. 408/1990 (W.J.H./Nederland); CRM 23 oktober 1992, nr. 432/1990 (W.B.E./Nederland). Zie voorts CRM 30 oktober 2003, nr. 868/1999, par. 6.5 (Wilson/Filipijnen).
CRM 19 maart 2010, nr. 1572/2007 (Mathioudakis/Griekenland).
CRM 4 november 1988, nr. 203/1986 (Munoz Hermoza/Peru). Met de strikte benadering in Mathioudakis is voorts moeilijk te rijmen dat het Comité jegens Tajikistan diens zorgen uitsprak over de uitsluiting van het passief kiesrecht voor individuen waartegen een strafrechtelijk onderzoek loopt, zie VN Doc. CCPR/CO/84/TJK, 18 juli 2005, par. 25.
De betekenis die het VN Mensenrechtencomité toekent aan de criminal charge-eis van artikel 14 lid 2 IVBPR, staat haaks op de benadering van de voormalige ECieRM. Alleen tijdens en binnen de in autonome zin strafrechtelijke procedure vindt de onschuldpresumptie toepassing.
Diverse gevallen van zeer ingrijpende overheidsmaatregelen die volgens de klager op een schuldoordeel berustten, maar waarin de onschuldpresumptie volgens het Comité niet werd geraakt, zijn in de rechtspraak aan bod gekomen. Nu de handelingen niet binnen een strafrechtelijke procedure plaatsvonden, leverden zij geen schending op. De plaatsing op een VN-sanctielijst als vermeende terrorist,1 de oplegging van preventieve detentie,2 de verwijdering van een student uit een universitair onderwijsprogramma,3 persoonlijke aansprakelijkheid van de directeur van een failliete onderneming4 en de afzetting van een staatshoofd5 vielen buiten het bereik van artikel 14 lid 2 IVBPR, ongeacht of zij op een schuldoordeel waren gebaseerd. Het verbod op toegang tot Kazakhstan wegens ‘illegale activiteiten’ in Rusland,6 deportatie wegens betrokkenheid bij terrorisme7 en verblijf in uitleveringsdetentie zonder afscheiding van veroordeelden gedetineerden8 konden het Comité evenmin vermurwen. Is de strafvervolging geëindigd, dan acht het Comité de onschuldpresumptie eveneens niet langer van toepassing. Om die reden strandden ook twee Nederlandse klachten over de wijze waarop was beslist over een na vrijspraak gedaan verzoek tot schadevergoeding voor de door strafvorderlijk overheidsoptreden geleden schade. Beide klachten waren niet-ontvankelijk.9
De uitspraak in Mathioudakis/Griekenland duidt er daarnaast op dat ten tijde van de strafvervolging in een andere dan de strafrechtelijke procedure gedane uitlatingen geen schending van artikel 14 lid 2 IVBPR teweegbrengen.10 De klager bestreed de intrekking van zijn diploma in een administratiefrechtelijke procedure die parallel liep aan strafvervolging voor vervalsing van studieresultaten. Na strafrechtelijke veroordeling in eerste aanleg werd zijn beroep in de administratiefrechtelijke procedure verworpen op de grond dat hij in de strafzaak schuldig was bevonden. Dat veroordelend vonnis was echter nog niet onherroepelijk. Nu de beslissing van de bestuursrechter een uitlating van een overheidsfunctionaris behelst die Mathioudakis bejegende als schuldige aan het strafbare feit waarover nog in appel moest worden beslist, stelde hij schending van de onschuldpresumptie. De klacht werd verworpen omdat de administratiefrechtelijke procedure geen criminal charge inhield. Die redenering overtuigt niet, aangezien het Comité klachten over uitlatingen van politici en media over lopende strafzaken niet laat afstuiten op de charge-eis, terwijl zij evenmin onderdeel zijn van het strafproces.
Sporadisch is binnen het Comité geopperd het toepassingsbereik te verruimen. Zo vond een drietal dissenters in Munoz Hermoza/Peru dat artikel 14 lid 2 IVBPR was geschonden jegens een geschorste politieagent. Wegens gebrek aan bewijs was nooit een strafzaak tegen hem geopend; niettemin was hij jarenlang geschorst en uiteindelijk ontslagen vanwege belediging van een meerdere. De minderheid vond dat de agent in strijd met het onschuldvermoeden was behandeld.11 De meerderheid volgde echter de vaste, restrictieve lijn van het Comité.