Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/6.4
6.4 Verdere ‘verbreding’ door middel van een imputatiebeding?
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS398542:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Van Mierlo 1984, p. 277, Bruijn & Maas 1990, p. 687, B. Wessels, ‘Voorwaardelijke eigendom en faillissement’, NbBW 1993, p. 76, Fikkers 1996, p. 4, Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 491, Reehuis 2013, nr. 36 en Verstijlen 2015, art. 3:92 BW, aant. 21.
Van Mierlo 1984, p. 277, voetnoot 34 en Asser/Sieburgh 6-I 2016, nr. 259.
M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 388. Zie uitgebreid hiervoor in hoofdstuk 3, paragraaf 3.5.2.
M.v.A. II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1240.
Vgl. Asser/Van Goudoever 1915, p. 348-351, Rutten 1947, p. 349, E.M. Meijers, ‘Misbruik van recht en wetsontduiking’, in: E.M. Meijers, Verzamelde privaatrechtelijke opstellen. Eerste deel, Leiden: Universitaire Pers 1954, p. 65 en p. 75-76, en Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014, nr. 329.
Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 680-683, Rummel/Spielbüchler 2000, §§ 357-360 ABGB, Rn. 11, Rummel/Aicher 2000, § 1063 ABGB, Rn. 110 en Schwimann & Kodek/Spitzer 2014, § 1063 ABGB, Rn. 27.
Door verschillende auteurs wordt opgemerkt dat het mogelijk is het eigendomsvoorbehoud in feite te verbreden tot vorderingen die buiten de omschrijving van artikel 3:92 lid 2 BW vallen door een imputatiebeding overeen te komen.1 Door het imputatiebeding aldus te redigeren dat betalingen van de koper eerst worden toegerekend op vorderingen waarvoor het eigendomsvoorbehoud niet kan worden bedongen, kan per saldo worden bewerkstelligd dat de eigendom pas op de koper overgaat indien de koper ook de vorderingen voldoet waarvoor het eigendomsvoorbehoud strikt genomen niet kan worden bedongen.
Naar mijn mening moet ten zeerste worden betwijfeld of het mogelijk is om door middel van een imputatiebeding de grenzen van artikel 3:92 lid 2 BW op te rekken. Op zichzelf genomen is het toelaatbaar door middel van een beding te bepalen op welke vorderingen en in welke volgorde betalingen moeten worden toegerekend. De regels van artikel 6:43 BW en artikel 6:44 BW zijn van regelend recht, zodat partijen in afwijking daarvan kunnen bepalen hoe betalingen moeten worden toegerekend.2 Indien een dergelijk imputatiebeding echter ertoe strekt via een omweg een eigendomsvoorbehoud mogelijk te maken voor vorderingen waarvoor het eigendomsvoorbehoud uitdrukkelijk is verboden, komt een dergelijk beding in de gevarenzone vanwege wetsontduiking. Wanneer bij partijen het motief voorzit om door middel van een imputatiebeding de regeling van artikel 3:92 lid 2 BW te omzeilen, moet naar mijn mening dan ook worden aangenomen dat het rechtsgevolg van artikel 3:92 lid 2 BW ook het imputatiebeding treft. Aan de beperking tot de in lid 2 genoemde vorderingen ligt namelijk ten grondslag dat voorkomen moet worden dat de verkoper zich door middel van een ongebreidelde uitbreiding tot andere vorderingen een voorrangspositie zou kunnen verschaffen die voor andere schuldeisers is uitgesloten, omdat zij niet in staat zijn de eigendom van een zaak voor te behouden.3 Om die reden is het type vorderingen waarvoor het eigendomsvoorbehoud kan worden bedongen uitdrukkelijk beperkt tot vorderingen die een samenhang vertonen met de hoedanigheid van de verkoper als leverancier. De wetgever heeft met de restrictie van lid 2 willen voorkomen ‘dat een eigendomsvoorbehoud (…) kan worden bedongen voor vorderingen van geheel andere aard.’4
Door middel van een combinatie van het eigendomsvoorbehoud en een imputatieregeling beogen partijen echter alsnog een figuur in het leven te roepen die per saldo neerkomt op het bedingen van het eigendomsvoorbehoud tot vorderingen waarvoor artikel 3:92 lid 2 BW het bedingen van een eigendomsvoorbehoud uitdrukkelijk verbiedt. Wanneer het overeenkomen van een imputatieregeling ertoe strekt in feite via een andere weg een situatie te scheppen die door de wet om bepaalde redenen niet toelaatbaar wordt geacht, moet worden aangenomen dat ook deze andere route niet door partijen kan worden bewandeld, omdat aldus de aan de beperking van lid 2 ten grondslag liggende ratio zou worden ondergraven.5
Steun voor de hier verdedigde opvatting bieden het Duitse en het Oostenrijkse recht. Op grond van § 449III BGB is een eigendomsvoorbehoud nietig indien de eigendomsovergang afhankelijk wordt gemaakt van de voldoening door de koper van vorderingen op derden, in het bijzonder tot het concern van de verkoper behorende ondernemingen (zgn. Konzernvorbehalt). In de bescheiden literatuur die aandacht besteedt aan deze kwestie, wordt aangenomen dat een tussen verkoper en koper overeengekomen beding, op grond waarvan betalingen van de koper eerst worden toegerekend op vorderingen van de derde op de koper, eveneens nietig is, omdat met een dergelijk beding per saldo hetzelfde resultaat zou worden bereikt als met het door de wet verboden Konzernvorbehalt.6 Op vergelijkbare wijze ontzegt het Oostenrijkse recht niet alleen het verbreed eigendomsvoorbehoud gelding, maar ook allerhande andere afspraken, zoals imputatiebedingen, waarmee via een omweg alsnog een met een verbreed eigendomsvoorbehoud vergelijkbaar resultaat is beoogd.7