Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/6.6
6.6 Beschikkingsmachtcriterium
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633734:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Wijziging van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, de Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting, de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 en de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003, Stcrt. 2012, 12737, p. 7.
Wijziging van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, de Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting, de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 en de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003, Stcrt. 2012, 12737, p. 7.
Van Kooten 2017, p. 451, 470.
Zie de bijlage bij Augustus 2019 en November 2019.
Versie augustus 2016, paragraaf 3, p. 3, onder kopje ‘Verantwoorden’.
Uit de regelgeving van de instelling en de feiten moet blijken dat een natuurlijk persoon of een rechtspersoon niet over het vermogen van de instelling kan beschikken alsof het zijn eigen vermogen is, dat wil zeggen ten behoeve van zichzelf buiten de algemeennutdoelstelling.1 De ratio van deze voorwaarde is het tegenover donateurs, begunstigden en bestuurders waarborgen van de onafhankelijkheid van de instelling.2 Een inspecteur kan onder voorwaarden wel toestaan dat een steunstichting en de door de steunstichting ondersteunde instelling(en) over en weer kunnen beschikken over elkaars vermogen alsof het hun eigen vermogen is (art. 1a, lid 1, onderdeel c Uitv.reg. AWR 1994).
Volgens Van Kooten kan dit criterium van belang zijn voor kerkgenootschappen die een principiële keuze hebben gemaakt voor bijvoorbeeld een eenhoofdig bestuur en op grond van hun geloofsleer geen ruimte kennen voor toezicht op de bestuurder binnen de organisatie.3 Denk daarbij aan een episcopaal stelsel van kerkbestuur, zoals Rooms-katholieke, Oudkatholieke Anglicaanse en Oosterse- en Oriëntaalse-orthodoxe kerken, waarbij de betreffende bisschop in alle zaken, met inbegrip van financiële kwesties, uiteindelijk alleen beslist. Ik vraag me echter af of de bisschop daarmee de facto over het vermogen van de instelling beschikt alsof het zijn eigen vermogen is, dat wil zeggen aanwenden voor een doel buiten de algemeennutdoelstelling van de instelling. Dit is immers het doorslaggevende criterium. Afhankelijk van het statuut verwacht ik dat belanghebbenden, zoals de parochianen, de kardinalen of de Paus stappen kunnen ondernemen om de bisschop tegen te houden als deze het vermogen van de instelling voor zichzelf zou aanwenden. Het canonieke recht van de Rooms-katholieke Kerk biedt die waarborgen in ieder geval wel.
Uit persoonlijke navraag bij het anbi-team blijkt dat de Belastingdienst bij rsli’s niet tegen problemen aanloopt met betrekking tot de beschikkingsmacht.4 De kerkgenootschappen met een episcopaal stelsel van kerkbestuur vallen namelijk onder de CIO-groepsbeschikkingen. In het CIO-convenant is expliciet opgenomen dat de instelling voldoet aan alle wettelijke voorwaarden van de anbi-regeling, met inbegrip van het uitsluiten van de persoonlijke beschikkingsmacht, aldus het anbi-team. Volgens het ANBI CIO Toetsingskader 2017 (bij het kopje Beschikkingsmacht, in de kolom Inhoudelijke overeenstemming) zijn in kerkorden en -statuten bepalingen opgenomen die persoonlijke beschikkingsmacht over kerkelijk vermogen uitsluiten. De CIO-notitie Goed bestuur en de kerkgenootschappen, die een nadere uitwerking is van het CIO-convenant bepaalt dat een kerkgenootschap in het eigen statuut regelt hoe en aan wie het bestuur verantwoording aflegt over het gevoerde financiële beleid.5 In een door het CIO in samenspraak met de Belastingdienst ontwikkelde matrix moet elk aangesloten kerkgenootschap aangeven waar en hoe in het eigen statuut deze financiële verantwoording is vastgelegd.
6.6.1 Toetsing beschikkingsmachtcriterium