Afspraken en Aanspraken
Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/8.6:8.6 Samenvatting
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/8.6
8.6 Samenvatting
Documentgegevens:
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685479:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk heb ik het toetsingskader van de civiele rechter voor de beoordeling van de totstandkoming en het tekortschieten in de nakoming van bevoegdhedenovereenkomsten en toezeggingen uiteengezet.
De eerste horde die een fidens moet nemen, is aantonen dat sprake is van een rechtsgeldige rechtshandeling in de vorm van een bevoegdhedenovereenkomst of eenzijdige gerichte toezegging. Een overheid moet (via bevoegde vertegenwoordiging) een concrete uitlating hebben gedaan waarin zij een bepaalde aanwending van haar bevoegdheden in het vooruitzicht heeft gesteld. Indien geen sprake is van bevoegde vertegenwoordiging, kan de fidens zich mogelijk op een schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid beroepen. Als dat niet lukt, is de rechtshandeling ongeldig, in welk geval de fidens met lege handen staat.
Voor bevoegdhedenovereenkomsten geldt dat het aantonen daarvan in de praktijk weinig problemen oplevert nu de totstandkoming via een formele procedure verloopt die in principe eindigt in een schriftelijke overeenkomst waarin goed is nagedacht over de tekst en ook over de bevoegdheid tot ondertekening. De vermeende vertrouwensschending in het kader van bevoegdhedenovereenkomsten is dan ook veelal te vinden in de stappen die volgen na de vaststelling van een geldige rechtshandeling.
De volgende stap is de vraag wat de overheid exact heeft beloofd. Welke verplichtingen heeft zij op zich genomen? Het kan zo zijn dat de overheid slechts een inspanningsverplichting op zich heeft genomen en zij zich niet heeft vastgelegd op het bereiken van een concreet resultaat.
Indien een eenzijdige toezegging buiten de context van een contract is gedaan, toont een nadere uitleg van de betreffende uitlating dikwijls aan dat de overheid zich niet heeft vastgelegd op een bepaald eindresultaat zoals de burger dat voor ogen had.
Bij de beoordeling of de overheid heeft voldaan aan haar nakomingsverplichtingen geldt voor inspanningsverplichtingen dat de civiele rechter nauwkeurig onderzoekt of de door de overheid in dat kader geleverde inspanningen voldoende zijn. Gelet op de bij nader inzien beperkte strekking van een dergelijke contractuele afspraak, oordeelt de rechter in de meeste gevallen dat de overheid haar verplichtingen is nagekomen. Bij een ongeclausuleerde resultaatgerichte toezegging, is de vraag of de overheid haar ook is nagekomen makkelijker te beantwoorden.
Indien de overheid haar verplichtingen uit hoofde van een bevoegdhedenovereenkomst of toezegging niet is nagekomen, kan dat leiden tot toewijzing van een nakomingsvordering (bijvoorbeeld tot privaatrechtelijke medewerking) of het oordeel dat de overheid schadeplichtig is. In dat laatste geval vindt vergoeding van het positief belang plaats: de vergoeding moet worden vastgesteld aan de hand van een vergelijking tussen de feitelijke situatie en de hypothetische situatie waarin de bevoegdhedenovereenkomst of toezegging zou zijn nagekomen. Voor zowel een bevoegdhedenovereenkomst als een eenzijdige toezegging geldt dat vergoeding plaatsvindt alsof een regulier contract niet is nagekomen. Dit bevestigt de overeenkomstige toepassing van regels ten aanzien van de overeenkomst op de eenzijdige gerichte toezegging, maar roept tevens de vraag op waarom de grondslag van de schadevergoedingsverplichting die voortvloeit uit de niet-nakoming van een toezegging in de praktijk wordt gevonden in een onrechtmatige daad en niet in wanprestatie. In de literatuur wordt immers aangenomen – en de rechtspraak bevestigt dit – dat een toezegging een verbintenisscheppende rechtshandeling is, zodat schending daarvan ‘uit zichzelf’ kan leiden tot wanprestatie. Ik kom hier in hoofdstuk 10 en het laatste deel van het onderzoek op terug.
Na deze analyse van vertrouwen bij de totstandkoming en de nakoming van verplichtingen die voortvloeien uit een bevoegdhedenovereenkomst en eenzijdige toezegging, ziet het volgende hoofdstuk op een schending van vertrouwen op de juistheid van verstrekte informatie.