Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/8.1
8.1 Inleiding
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685446:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Par. 3.3-3.4.
In par. 4.2 heb ik opgemerkt dat een bevoegdhedenovereenkomst een schriftelijke toezegging behelst en in par. 3.4 en par. 4.3 dat op een gerichte, eenzijdige toezegging dezelfde regels met betrekking tot totstandkoming en uitleg van toepassing zijn als voor een overeenkomst. De in dit hoofdstuk behandelde rechtspraak bevestigt die overeenkomstige toepassing van de regels van overeenkomsten op de eenzijdige, gerichte toezegging.
De civiele rechter verklaart eiser dan niet-ontvankelijk. Zie bijv. Rb. Limburg 6 mei 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:3908. Het is niet mogelijk een verklaring voor recht te vragen die erop neerkomt dat een overheid op een bepaalde wijze haar publiekrechtelijke bevoegdheden moet aanwenden, zie bijv. Hof ’s-Hertogenbosch 14 juli 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:2177.
De civiele rechter zoekt soms expliciet aansluiting bij de bestuursrechter. Zie bijv. Hof Arnhem-Leeuwarden 4 juni 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:3989, rov. 2.9 en Rb. Overijssel 8 december 2021, ECLI:NL:RBOVE:2021:4682, rov. 4.12-4.21. Zie ook Rb. Overijssel 6 april 2021, ECLI:NL:RBOVE:2021:1541 voor een voorbeeld waarin de civiele rechter toetst aan het bestuursrechtelijke vertrouwensbeginsel.
Een vordering wordt vaak ingestoken met de stelling dat de overheid heeft toegezegd, ‘althans het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt’. Zie bijv. Rb. Den Haag 17 oktober 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:12400, waarin een aantal bewoners stelde dat een perceel waarop kassen aanwezig zijn, na de sloop daarvan zou worden ingericht als (water- en) groenstrook.
In het derde hoofdstuk heb ik vastgesteld dat een schending van gerechtvaardigd vertrouwen in het civiele recht – voor zover relevant voor dit onderzoek – verschillende toetsingskaders kent voor (i) het ten onrechte wekken van vertrouwen dat er een bevoegdhedenovereenkomst tot stand zal komen of een eenzijdige toezegging is gedaan, (ii) het niet nakomen van een bevoegdhedenovereenkomst of toezegging en (iii) het ten onrechte scheppen van de verwachting dat verstrekte informatie juist en volledig is en gedrag daarop mag worden afgestemd.
De eerste twee vormen van vertrouwensschending – een niet tot stand gekomen rechtshandeling en het niet nakomen van verplichtingen die voortvloeien uit een geldige rechtshandeling – zijn het onderwerp van dit hoofdstuk. De derde vorm van vertrouwensschending behandel ik in het hiernavolgende hoofdstuk.
De bevoegdhedenovereenkomsten en eenzijdige toezeggingen van dit onderzoek zijn verbintenisscheppende rechtshandelingen.1 Door een bevoegdhedenovereenkomst aan te gaan of een eenzijdige, gerichte toezegging te doen, belooft de overheid iets aan een burger. Hierna spreek ik als verzamelnaam voor deze twee rechtshandelingen ook wel over ‘geldige rechtshandeling’.2 Zoals in het vijfde hoofdstuk is uiteengezet, kan de vraag van nakoming van een bevoegdhedenovereenkomst of eenzijdige toezegging zelfstandig van eventueel daarmee samenhangende besluitvorming aan de civiele rechter worden voorgelegd, maar kan nakoming daarvan in de vorm van het (inspannen tot) nemen van publiekrechtelijke (appellabele) besluiten niet bij de civiele rechter worden afgedwongen.3 Een teleurgestelde burger kan in geval van een tekortkoming in de nakomingsverplichtingen bij de civiele rechter slechts schadevergoeding vragen. Indien een toezegging niet ziet op appellabele besluitvorming, is het wel mogelijk nakoming van de toezegging bij de civiele rechter te vorderen.
Voor een succesvolle civiele rechtsgang die leidt tot een veroordeling van de overheid tot nakoming of betaling van schadevergoeding, is gerechtvaardigd vertrouwen4 in de nakoming van een geldige rechtshandeling een voorwaarde.5 De civiele rechter beoordeelt aan de hand van dezelfde maatstaf of sprake is van vertrouwen op de aanwezigheid en nakoming van een bevoegdhedenovereenkomst of toezegging. Eerst onderzoekt hij of een rechtsgeldige rechtshandeling tot stand is gekomen (paragraaf 8.2), waarna hij de inhoud daarvan vaststelt (paragraaf 8.3). Vervolgens beoordeelt hij of de overheid haar contractuele afspraak of eenzijdige toezegging is nagekomen (paragraaf 8.4) en zo niet, of aan remedies voor de vertrouwensschending wordt toegekomen (paragraaf 8.5).