Raad zonder raadgevers?
Einde inhoudsopgave
Raad zonder raadgevers? (SteR nr. 42) 2018/1.5:1.5 Onderzoeksopzet en uitwerking
Raad zonder raadgevers? (SteR nr. 42) 2018/1.5
1.5 Onderzoeksopzet en uitwerking
Documentgegevens:
drs. J.W.M.M.J. Hessels, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
drs. J.W.M.M.J. Hessels
- JCDI
JCDI:ADS580346:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het onderzoek met als onderwerp ‘Ambtelijke bijstand en fractieondersteuning na de invoering van de Wet dualisering gemeentebestuur’ kent de volgende indeling:
Inleiding en probleemstelling
Historische achtergrond van de ambtelijke bijstand en de fractieondersteuning (hoofdstuk 2, § 2.2).
Hierbij wordt stilgestaan bij o.a.:
De positie van de secretaris (artikel 102 van de Gemeentewet – oud, de ambtsinstructie voor de gemeentesecretaris door de jaren heen conform artikel 110 Gemeentewet – oud).
De positie van de ambtenaren op de secretarie en bij de overige gemeentelijke diensten (artikelen 179 en 211 Gemeentewet – oud).
De informatievoorziening door gemeenteambtenaren richting de raad (onder andere artikel 148 Gemeentewet – oud).
Beschrijving van het wetgevingsproces, dat geleid heeft tot de wettelijke verankering van ambtelijke bijstand en fractieondersteuning in de Gemeentewet door middel van amendering van de herziening Gemeentewet 1992 (hoofdstuk 2, § 2.3) en de Wet dualisering gemeentebestuur, inclusief de parlementaire behandeling en de amendementen Stoffelen-Van de Burg en De Cloe c.s. op artikel 33 Gemeentewet (hoofdstuk 3).
De uitwerking van de wetgeving in verordeningen en ambtsinstructies aan de hand van de Modelverordening ambtelijke bijstand en fractieondersteuning en de Modelinstructies voor de secretaris en de griffier van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hoofdstuk 4). Hierin komen uitgebreid aan de orde de verhouding van deze modelinstructies en modelverordeningen met andere wetgeving, zoals de Algemene wet bestuursrecht. Daarnaast wordt gekeken naar de gewijzigde positie van de secretaris en de griffier (artikelen 102 en verder, 107 en 160 onder c en d van de Gemeentewet en de artikelen 125, 125c en 134 van de Ambtenarenwet en de ambtsinstructies voor de secretaris en de griffier).
De evaluaties van de wetgeving en de implementatie hiervan, die door diverse commissies zijn uitgevoerd in de jaren na de invoering van de Wet dualisering gemeentebestuur, inclusief de uit deze evaluaties voortgekomen wetgeving (hoofdstuk 5). Hierbij wordt ook aandacht besteed aan de positie van de gemeenteambtenaar, die in een loyaliteitsspagaat terecht lijkt te komen bij advisering van de gemeenteraad enerzijds en het college van burgemeester en wethouders anderzijds.
Toepassingen in de praktijk. Op basis van een enquête onder alle Nederlandse gemeenten wordt de diversiteit in de toepassing van artikel 33 van de Gemeentewet en van de daaruit voortvloeiende en daarmee samenhangende lokale regelgeving in kaart gebracht (hoofdstuk 6).
Aan de hand van de bevindingen uit het bovenstaande wordt in de vorm van ‘algemene observaties' een beeld geschetst van de huidige praktijk en de verhouding van deze praktijk met de juridische basis, waarop zij gestoeld is. In een drietal categorieën worden vervolgens scenario’s ter verbetering voorgesteld (hoofdstuk 7).