Einde inhoudsopgave
Open normen in het Europees consumentenrecht (R&P nr. CR4) 2011/11.4.1
11.4.1 De invloed van Europees resp. nationaal recht op de wijze van inpassing (C en E)
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon, datum 31-08-2011
- Datum
31-08-2011
- Auteur
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon
- JCDI
JCDI:ADS499687:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het HvJ is kritisch t.a.v. deze wijze van omzetting: HvJ EG 10 mei 2001, nr. C-144/99, Jur. 2001, p. 1-3541(Commissie/Nederland). Het negatieve effect van dergelijke keuzes op de harmonisatie is groot wanneer de Europese dimensie uit het oog wordt verloren en niet naar eventuele rechtspraak van het HvJ wordt gekeken of wanneer, wat bij deze richtlijn voorshands het geval is, eenduidige Europese sturing op veel punten ontbreekt.
Onder meer in een reeks door haar voorgezeten werkgroepen over de implementatie en coherente toepassing van de richtlijn: Lords Hansard, 23 april 2008, column 1574. Vgl. EP 2010, ov. 5 en 22. Niettemin heeft de Commissie bepaalde afwijkingen 'toegestaan'. Hieruit blijkt mogelijk hoe zij over de richtlijn denkt. In de Franse wet ontbreekt iedere verwijzing naar het besluitcriterium. Mogelijk hecht de Commissie weinig belang aan de toetsing aan het besluitcriterium (vgl. het niet-optreden tegen die lidstaten die het goede trouw-criterium uit de Richtlijn OB niet hadden omgezet en haar voorkeur voor een 'exclusieve' systematiek, par. 2.8.2).
In gelijke zin: Rott 2005, p. 8-9. Anders: Roth 1998, p. 135 e.v.; Mak 2008, p. 7-8.
Voorbeelden zijn de open begrippen 'misleidend', 'bedrieglijk', `mensongère', `undue influenee', `harassment' , die allemaal een nationaalrechtelijke evenknie kennen. Deze gelijkenis kan mogelijk onjuiste associaties oproepen.
RIA 2007, p. 30-31 en Twigg-Flesner en Parry 2007, p. 216-217.
Kritisch op de keuze om de starre maatstaf uit ov. 18 in de Franse wet op te nemen is Cornu 2007/08, p. 112.
Kamerstukken II 2006/07, 30 928, nr. 4, p. 3.
In art. 6:193g BW (de zwarte lijst misleidende praktijken) is de terminologie echter niet aangepast en er zijn vragen ontstaan over de betekenis van het richtlijnbegrip 'bedrieglijk': Kamerstukken I 2007 /08, 30 928, nr. C, p. 11.
Europese invloed
695. De vanuit het Europese niveau opgelegde letterlijke omzetting van de richtlijn heeft een grens gesteld aan de 'nationale invloeden' op de inpassing van de normen in het nationale recht. Toepassing van de `elaborative technique' was niet toegestaan. In geen van de onderzochte nationale stelsels is gebruikgemaakt van functionele equivalenten in het nationale recht.1 De Commissie heeft streng toezicht gehouden op de wijze waarop de normen in het nationale recht werden overgenomen en toonde een duidelijke voorkeur voor de woordelijke overname van de richtlijntekst.2 Het overnemen van de richtlijntermen vergroot de zichtbaarheid van de Europese oorsprong van de regeling. Met het oog op de coherente uitleg en toepassing van de richtlijn heeft de `copy-out' -techniek als voordeel dat zij de rechter sneller op de juiste weg, die van de richtlijnconformiteit, kan zetten en hem wellicht eerder tot het stellen van een prejudiciële vraag kan 'verleiden'. Rechtspraak van het HvJ kan mogelijk ook sneller worden verwerkt in de nationale rechtspraak.3 Het gebrek aan Europese eenduidige handvatten en het bestaan van gelijkluidende normen naar nationaal recht4 beperkt echter de effectiviteit van de `copy-out' -techniek.
In de meeste lidstaten bestond een zekere terughoudendheid ten aanzien van de letterlijke overname van de richtlijnterminologie vanwege haar moeilijke inpassing in de nationale systematiek. In Nederland maar vooral in Frankrijk, heeft de Commissie aan moeten dringen op het verder in lijn brengen van het nationale recht met de richtlijn. In Engeland waren de meningen verdeeld maar is door de omzettingswetgever niet getracht afstand te nemen van de richtlijntekst (onder meer uit angst voor een inbreukprocedure).5
Sommige afwijkingen van de richtlijntekst zijn overigens het resultaat van een opvallende welwillendheid ten aanzien van de doorwerking van het Europese recht.
De Engelse en de Franse wetgevers hebben ervoor gekozen om de bewoordingen uit ov. 18 considerans naar de wettekst over te hevelen: hierin wordt de gemiddelde consument gekenmerkt als `gemiddeld geïnfonneerd, omzichtig en oplettend'. Deze kwalificatie, afkomstig uit de Gut Springenheide-uitspraak, komt niet voor in de richtlijn zelf.6
Nationale invloed
696. Bij de inpassing van de richtlijn door de nationale wetgever in het nationale recht gaat ondanks de Europese sturing een sterke invloed uit van de manier waarop het handelspraktijkenrecht werd geregeld voorafgaand aan de richtlijn. Tijdens het omzettingsproces hebben de Nederlandse en Franse wetgever zo veel mogelijk getracht bij bestaande regelingen (en hun systematiek) aan te sluiten.
Zo is in Nederland gekozen voor het BW en in Frankrijk voor de Code de la consommation. In Nederland is gekozen voor de rechtsgrond onrechtmatige daad. De keuze voor de onrechtmatige daad als rechtsgrond vloeit voort uit het feit dat de subnorm 'misleiding' uit de Richtlijn misleidende reclame, waarop de nieuwe richtlijn voortbouwt, destijds in Boek 6 titel 3 BW is geïmplementeerd. In Frankrijk is de richtlijn conform de systematiek van deze Code aanvankelijk zeer summier omgezet.
De wijze waarop handelspraktijken voorafgaand aan de richtlijn naar nationaal recht werden beoordeeld heeft invloed op de manier waarop de wetgever tegen de normen aankijkt. Dit heeft, bij de vertaling van de richtlijn naar nationaal recht, geleid tot talrijke (vaak niet, maar soms wel door de Commissie toegestane) wijzigingen ten opzichte van de richtlijntekst.
Een voorbeeld vormt de aanvankelijke omissie van de kwetsbare consumentmaatstaf in het Nederlandse wetsvoorstel. De Raad van State heeft erop moeten wijzen dat deze maatstaf niet besloten lag in het gerichtheidscriterium.7 Een ander voorbeeld is het niet-overnemen door de Franse wetgever van de lijst en van het naar nationaal recht niet geoperationaliseerde effectcriterium bij de misleidingssubnorm. De lijst is uiteindelijk onder druk van de Commissie in de richtlijn opgenomen maar het besluitcriterium komt niet voor in de Franse bepaling met betrekking tot de misleidende handeling en omissie.
Een enkele keer zorgt juist het besef dat het nationale recht de uitleg van de normen beïnvloedt voor een (door de Commissie toegestane) aanpassing van de nationale regeling ten opzichte van de richtlijn.
Omdat richtlijntermen naar nationale regels verwijzen die anders dan de richtlijn opzet vereisen, is in Nederland gekozen voor de vervanging van 'bedrieglijk' door `misleidend'8 en in Frankrijk voor het weglaten van het adjectief `mensongère' uit de misleidingstoets. Een ander voorbeeld vormt het weglaten van de verwijzing naar de goede trouw in de Nederlandse definitie van de professionele toewijding.