Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt
Einde inhoudsopgave
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/4.6.7:4.6.7 VNLTO-arrest
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/4.6.7
4.6.7 VNLTO-arrest
Documentgegevens:
dr. S.T.M. Beelen, datum 01-03-2010
- Datum
01-03-2010
- Auteur
dr. S.T.M. Beelen
- JCDI
JCDI:ADS300763:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie ro. 8 van HvJ EG 27 juni 1989, zaak 50/88 (Kühne), FED 1990/739 (aant. D.B. Bijl).
Zie ook de onderdelen 7.2.11. en 7.2.12. van de conclusie van A-G Van Hilten van 2 april 2009, V-N 2009/25.16.
Zie hiervoor de onderdelen 2.7.1 en 2.7.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In een uitgebreide beschouwing probeert A-G Mengozzi in zijn conclusie de vraag te beantwoorden wat de betekenis is in art. 6, lid 2, Zesde richtlijn van de woorden ‘...of, meer in het algemeen voor andere dan bedrijfsdoeleinden’. Deze woorden lijken een verruiming te bevatten van de eerste twee situaties waarin deze bepaling van toepassing is, namelijk wanneer het bedrijfsgoed wordt gebruikt ‘voor privédoeleinden van de belastingplichtige of van zijn personeel’. De vraag is dan met name of art. 6, lid 2, Zesde richtlijn moet worden geacht zich uit te strekken tot het gebruik van een bedrijfsgoed voor doeleinden van al de niet-economische activiteiten van de belastingplichtige, wat verder gaat dan gebruik voor privédoeleinden. Uiteindelijk beantwoordt de A-G deze vraag ontkennend: het gebruik ‘voor andere dan bedrijfsdoeleinden’, bedoeld in art. 6, lid 2, Zesde richtlijn, kan niet elk gebruik ten behoeve van de niet-economische activiteiten van een belastingplichtige omvatten. Mengozzi noemt daarvoor drie argumenten:
Het hof lijkt het gebruik van een goed ‘voor andere dan bedrijfsdoeleinden’ in zijn rechtspraak niet te beschouwen als gebruik voor andere dan privé-doeleinden (punt 49); in het Kühne-arrest heeft het hof geoordeeld dat uit het systeem van de Zesde richtlijn volgt, dat art. 6, lid 2, eerste alinea, sub a, wil voorkomen dat een voor privédoeleinden gebruikt bedrijfsgoed onbelast zou blijven1;
Als art. 6. lid 2, ook aan de orde zou kunnen komen als verkapte correctie op de aftrek bij gebruik voor niet-economische activiteiten was het waarschijnlijk geweest dat het Hof van Justitie EU art. 6, lid 2, ook in zijn beoordeling in het Securenta-arrest had betrokken (punten 50 en 51);
Mengozzi sluit zich aan bij de conclusie van A-G Sharpston bij de zaak-Danfoss en AstraZeneca, volgens welke art. 6, lid 2, Zesde richtlijn betrekking heeft op wijzen van gebruik die geheel losstaan van de belaste ondernemingsactiviteiten, dat wil zeggen dat zij noch direct, noch indirect de belangen van de onderneming dienen (punt 52).
A-G Mengozzi maakt nog wel één belangrijke aanvullende opmerking in punt 55 van zijn conclusie:
Deze beoordeling doet geen afbreuk aan het nuttig effect van de uitdrukking ‘andere dan bedrijfsdoeleinden’, in die zin dat deze zich kan uitstrekken tot elk gebruik voor privédoeleinden door derden, niet zijnde de belastingplichtige of zijn personeel. Zoals de Portugese regering in haar schriftelijke opmerkingen heeft betoogd, zou dit bijvoorbeeld het geval zijn bij een investeringsgoed dat VNLTO zou hebben gebruikt voor zowel haar belaste activiteiten als voor de privédoeleinden van één van haar leden of van een bestuurder daarvan.(...)
Bij onttrekking of gebruik voor privédoeleinden door derden zou, denk ik, bijvoorbeeld gedacht kunnen worden aan de terbeschikkingstelling van woonruimte door een personenvennootschap aan haar vennoten2 of aan de verstrekking van maaltijden aan zakenrelaties. In het Danfoss en AstraZenecaarrest werd weliswaar vastgesteld dat geen fictieve heffing mogelijk is als de verstrekking van maaltijden aan de zakenrelaties uitsluitend voor bedrijfsdoeleinden plaatsvindt, maar uit het arrest blijkt ook dat er omstandigheden denkbaar zijn waarin de verstrekkingen aan zakenrelaties niet uitsluitend bedrijfsdoeleinden dienen. In dergelijke omstandigheden zullen de verstrekkingen aan zakenrelaties door een fictieve heffing getroffen kunnen worden.
Concluderend is A-G Mengozzi van mening dat de Hoge Raad ten onrechte in de vraagstelling van de premisse is uitgegaan dat art. 6, lid 2, Zesde richtlijn van toepassing is. In casu is sprake van gebruik voor niet-economische activiteiten, dat niet bestreken wordt door art. 6, lid 2, Zesde richtlijn.
Het Hof van Justitie EU volgt in zijn arrest de conclusie van de A-G Mengozzi. Art. 6, lid 2, onderdeel a, Zesde richtlijn is er niet op gericht als regel te stellen dat handelingen die buiten de werkingssfeer van de btw vallen, kunnen worden geacht te zijn verricht voor ‘andere dan bedrijfsdoeleinden’ in de zin van die bepaling. De art. 6, lid 2, sub a, en art. 17, lid 2, Zesde richtlijn moeten aldus worden uitgelegd dat zij niet toepasselijk zijn op het gebruik van goederen en diensten die de ondernemer bestemt voor andere handelingen dan belaste handelingen (zoals niet-economische activiteiten). Zij staan de aftrek niet toe van de btw die de belastingplichtige betaalt bij de aanschaf van die goederen en diensten voor zover hij die gebruikt voor dergelijke handelingen.
Ofschoon het arrest handelt over art. 6, lid 2, neem ik aan dat de conclusie van het Hof van Justitie EU met betrekking tot de dezelfde woorden in art. 5, lid 6, (‘...of, meer in het algemeen, voor andere dan bedrijfsdoeleinden’) niet anders geweest zou zijn. Met dit arrest, mede in het licht van de hiervoor besproken conclusies van A-G Sharpston en A-G Mengozzi, lijkt de werkingssfeer van art. 5, lid 6, en art. 6, lid 2, fors beperkt te zijn. De beperking heeft ook gevolgen voor de werkingssfeer van het etiketteringsleerstuk.3 Omdat etikettering (de keuze voor opname van een investeringsgoed in het bedrijfsvermogen en/ of het privévermogen) is gekoppeld aan de mogelijkheid van belastingheffing op grond van art. 5, lid 6, en art. 6, lid 2, Zesde richtlijn (thans art. 16 en 26 btw-richtlijn), ingeval van onttrekking of gebruik voor privédoeleinden van een geheel of gedeeltelijke tot het bedrijfsvermogen bestemd investeringsgoed, zal etikettering in veel minder gevallen mogelijk zijn dan de Hoge Raad blijkbaar voor mogelijk hield.
Deze uitkomst leidt tot arbitraire verschillen. Waarom kan de natuurlijk persoon die een auto aanschaft om die te gebruiken voor economische activiteiten en voor privédoeleinden wel etiketteren en kan VNLTO die een auto aanschaft om die te gebruiken voor econonomische en voor niet-economische activiteiten dat niet? Op grond van overweging 39 in het VNLTO-arrest zou nog een vraagteken gezet kunnen worden bij de werkingssfeer van het arrest:
Anders dan de zaak waarin voormeld arrest Charles en Charles-Tijmens is gewezen, die betrekking had op een onroerend goed dat voor het vermogen van de onderneming was bestemd voordat het – gedeeltelijk – werd bestemd voor privégebruik, dat per definitie geen gebruik voor bedrijfsdoeleinden van de belastingplichtige was, gaat het in de zaak die in het hoofdgeding aan de orde is om niet-belaste handelingen van VNLTO die bestaan in de behartiging van de algemene belangen van de leden van deze vereniging en in casu niet kunnen worden beschouwd als handelingen voor andere dan bedrijfsdoeleinden, aangezien zij het voornaamste doel van deze vereniging vormen.
Uit de door mij cursief gemaakte zinsnede zou afgeleid kunnen worden dat er blijkbaar omstandigheden denkbaar zijn waarin de handelingen van VNLTO wél kunnen worden beschouwd als handelingen voor andere dan bedrijfsdoeleinden. Dat zou met name het geval kunnen zijn wanneer de niet-economische activiteiten niet het voornaamste doel vormen. Een andere interpretatie zou kunnen zijn dat het Hof van Justitie EU heeft willen zeggen dat de niet-economische activiteiten geen uitvloeisel zijn van de economische activiteiten en dat zij een onvoldoende sterke relatie hebben met de economische activiteiten om daarin op te gaan. Op die manier zou immers ook de btw op de daarop betrekking hebbende uitgaven aftrekbaar (kunnen) zijn.
Ik ben van mening dat de tweede interpretatie de juiste is en ga ervan uit dat het Hof van Justitie EU van opvatting is dat ‘gebruik voor andere dan bedrijfsdoeleinden’ zich beperkt tot gebruik voor privédoeleinden door de ondernemer/ natuurlijk persoon, door personeel van de ondernemer (al dan niet natuurlijk persoon) of door derden en nooit aan de orde kan zijn bij niet-economische activiteiten of handelingen die buiten de werkingssfeer van de btw vallen. Uit de hiervoor besproken conclusies van de A-G’s Sharpston en Mengozzi maak ik op dat zij een dergelijke beperking ook aanhangen.