Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/6.2.5.2
6.2.5.2 Artikel 6 EVRM
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS465591:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Van Solinge 1998, p. 49. Vergelijk ook: Maeijer in zijn noot (onder 2) in NJ 1997, 671 (onder HR 4 juni 1997 (Text Lite Holding)): ‘Alles mooi en goed, maar een aldus gegeven oordeel over de verantwoordelijkheid met het oog op kostenverhaal geeft wel een geduchte opstap of aanloop voor zulk een individuele aansprakelijkstelling. En daar is het vooral curatoren in faillissementsituaties om te doen.’; Glasz & Bos 1994, p. 12: ‘De ondernemingskamer stelt geen aansprakelijkheid vast. (...). Dit neemt niet weg, dat de ondernemingskamer aan de gedragingen van (individuele) bestuurders en commissarissen in het kader van het geconstateerde wanbeleid overwegingen kan wijden, die voor de individuele aansprakelijkheid een belangrijke zo niet doorslaggevende rol kunnen spelen.’
Art. 6 lid 1 eerste volzin EVRM bepaalt: ‘In the determination of his civil rights and obligations or of any criminal charge against him, everyone is entitled to a fair and public hearing within a reasonable time by an independent and impartial tribunal established by law.’ De Nederlandse tekst van art. 6 lid 1 eerste zin EVRM luidt: ‘Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.’ Zie Smits 2008 voor een uitvoerige verhandeling over art. 6 EVRM. Zie ook Snijders, Klaassen & Meijer 2007, p. 26 e.v.
Smits 2008, p. 102. Terzijde, uit het recht om gehoord te worden kan volgens Smits (2008, p. 105) het recht op een behoorlijke oproeping worden afgeleid. Hij wijst er in dit verband op dat door de HR in enkele verzoekschriftprocedures met het oog op het recht van hoor en wederhoor is uitgemaakt dat de rechter zich ervan dient te vergewissen dat een behoorlijke, dat wil zeggen tijdige en overeenkomstig de ter zake geldende voorschriften gedane, oproeping heeft plaatsgevonden indien een partij niet is verschenen in de procedure.
Vergelijk EHRM 23 juni 1993, NJ 1995, 397, r.o. 63 (Ruiz-Mateos, m.nt. Dommering): ‘The right to an adversarial trial means the opportunity for the parties to have knowledge of and comment on the observations filed or evidence adducted by the other party.’ Overigens, uit r.o. 63 blijkt dat ook het recht op tegenspraak valt onder het bereik van art. 6 EVRM.
Aldus ook A-G Vranken in zijn conclusie (overweging 13) bij HR 12 februari 1993, NJ 1993, 596 (m.nt. Snijders).
HR 18 februari 1994, NJ 1994, 742, r.o. 3.4 (Copo/Berger, m.nt. Snijders). Vergelijk ook art. 19 Rv, dat aan de orde is gekomen in paragraaf 4.5, en art. 290 lid 1 Rv: ‘De verzoeker en iedere belanghebbende hebben recht op inzage en afschrift van het verzoekschrift, de verweerschriften, de op de zaak betrekking hebbende bescheiden en de processen-verbaal.’
Vergelijk EHRM 27 oktober 1993, NJ 1994, 534, r.o. 33 (Dombo Beheer, m.nt. Snijders en m.nt. Dommering): ‘The Court agrees with the Commission that as regards litigation involving opposing private interests, “equality of arms” implies that each party must be afforded a reasonable opportunity to present his case – including his evidence – under conditions that do not place him at a substantial disadvantage vis-à-vis his opponent.’
HR 10 januari 1990, NJ 1990, 466, r.o. 3.3 (OGEM Holding, m.nt. Maeijer).
Smits 2008, p. 132. Smits wijst erop dat deze ‘wapengelijkheid’ ook tot uitdrukking komt in art. 151 lid 2 Rv (‘Tegenbewijs, ook tegen dwingend bewijs, staat vrij, tenzij de wet het uitsluit.’) en (thans) art. 168 Rv (‘Het verhoor van getuigen tot het leveren van tegenbewijs staat van rechtswege vrij (...).’). Deze bepalingen zijn ingevolge art. 284 Rv ook van toepassing op de verzoekschriftprocedure, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet.
EHRM 18 maart 1997, NJ 1998, 278, r.o. 34 (Mantovanelli, m.nt. Snijders): ‘It is for the national courts to assess the evidence they have obtained and the relevance of any evidence that a party wishes to have produced.’
Smits 2008, p. 132-133.
Smits 2008, p. 134.
Smits 2008, p. 110 e.v.
Smits 2008, p. 56-57, onder verwijzing naar uitspraken van het EHRM en de Europese Commissie: ‘Volgens het Europees Hof en de Europese Commissie zijn lidstaten niet verplicht om appel- of cassatie-instanties in te stellen. Doch gaan de lidstaten over tot de instelling van hogere gerechtelijke voorzieningen, dan dienen die waarborgen van art. 6 EVRM in die hogere instantie(s) in beginsel in acht genomen te worden.’
192. Met de stelling van verzoekers tot cassatie dat de Ondernemingskamer niet bevoegd is op de persoon gerichte oordelen uit te spreken, hangt nauw samen hun opvatting dat zij, door zulks toch te doen, handelt in strijd met het in art. 6 EVRM vervatte beginsel van een fair hearing en een fair trial.1 Verzoekers voeren daartoe aan dat de Ondernemingskamer bevoegd is ten laste van bestuurders en commissarissen voorzieningen te treffen dan wel hen te veroordelen in de onderzoekskosten – in termen van art. 6 EVRM: zij bepaalt aldus hun burgerlijke rechten en verplichtingen (civil rights and obligations) – indien uit het verslag van wanbeleid respectievelijk van verantwoordelijkheid voor een onjuist beleid is gebleken. Verzoekers achten dit bezwaarlijk omdat, samengevat, (a) de onderzoeker wordt benoemd in een procedure waarbij bestuurders en commissarissen niet betrokken hoeven te worden, (b) de wet uiterst summiere regels geeft voor de wijze waarop de onderzoeker zijn onderzoek moet verrichten en inzichtelijk moet maken, (c) de wet niet bepaalt dat de Ondernemingskamer belanghebbenden in de gelegenheid moet stellen naar aanleiding van het onderzoeksverslag een verweerschrift in te dienen, (d) de wet niet bepaalt dat de Ondernemingskamer, indien een belanghebbende de bevindingen van de onderzoeker op redelijke gronden betwist, een nader onderzoek gelast of van de onderzoeker verlangt dat hij bewijs voor zijn bevindingen bijbrengt, (e) de wet niet bepaalt dat de onderzoeker naar aanleiding van zijn rapport door de Ondernemingskamer ter terechtzitting moet worden gehoord, alsook (f) dat de wet geen waarborg bevat dat alle belanghebbenden die in het geding zijn verschenen worden opgeroepen voor alle zittingen die aan de behandeling van de zaak worden gewijd.
Het recht op een fair hearing – in ruime zin ook wel aangeduid als het recht op een processueel eerlijke procedure (fair trial) – bergt verschillende elementen in zich. Van het recht op een fair hearing maken onderdeel uit het recht van partijen (over en weer) te worden gehoord, het recht op gelijke proceskansen en het recht op een deugdelijke motivering van rechterlijke uitspraken. Het recht om gehoord te worden wordt door Smits omschreven als ‘de aanspraak om in voldoende mate en op gepaste wijze in de gelegenheid te worden gesteld om zich als partij in zowel feitelijk als juridisch opzicht over een zaak uit te laten’.2 Het recht is ruimer dan het recht op tegenspraak (the right to an adversarial trial3): partijen in (niet-contentieuze) verzoekschriftprocedures hebben eveneens recht op rechterlijk gehoor.4 Dat het recht op tegenspraak eveneens geldt in verzoekschriftprocedures, is in de beschikking inzake Copo/Berger bevestigd door de Hoge Raad: ‘Het fundamentele beginsel volgens hetwelk een burgerlijk geding op tegenspraak wordt gevoerd – van welk beginsel dat van hoor en wederhoor deel uitmaakt – brengt daarenboven mee dat de rechter zich bij die vaststelling (van burgerlijke rechten en verplichtingen van partijen, FV) alleen op die gegevens van feitelijke aard mag baseren waarvan partijen de juistheid en volledigheid hebben kunnen nagaan en ten processe ter discussie hebben kunnen stellen.’5 Het beginsel van gelijke proceskansen (equality of arms; gelijkheid der wapenen) houdt in dat iedere partij in een civiele procedure het recht heeft zijn zaak op zodanige wijze aan de rechter voor te leggen, dat hij niet substantieel wordt benadeeld ten opzichte van zijn wederpartij.6 De beschikking inzake OGEM Holding bevat hiervan een belangrijke uitwerking. De Hoge Raad overweegt dat de belanghebbenden die in de procedure voor de Ondernemingskamer zijn verschenen en verweer hebben gevoerd tegen hetgeen is verzocht, ook beroep in cassatie kunnen instellen. Hiervoor pleit, aldus ons hoogste rechtscollege, ook het beginsel van equality of arms dat besloten ligt in de eis van een fair hearing als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM: ‘Met voormeld beginsel zou immers niet stroken dat, terwijl aan de P-G en aan de oorspronkelijke verzoekers beroep in cassatie toekomt, dit beroep – dat wèl aan de rechtspersoon toekomt – zou worden onthouden aan anderen die voor de OK zijn verschenen en verweer hebben gevoerd tegen hetgeen verzocht en/of gevorderd is.’7 Het beginsel van gelijke proceskansen houdt bovendien in dat de partijen in de civiele procedure in gelijke mate gerechtigd zijn bewijs voor hun stellingen aan te bieden: ‘Zo de ene partij tot bewijs gerechtigd is, dan is de wederpartij tot tegenbewijs gerechtigd.’8 Smits wijst er in dit verband nog op, onder verwijzing naar het Mantovanelli-arrest van het EHRM9, dat beide partijen geen recht hebben op toelating van al het door hen aangeboden bewijs: ‘Veeleer staat het de rechter vrij na te gaan welke van de aangeboden bewijsmiddelen relevant kunnen zijn voor de beslechting van het geschil. (...). Zo mag een overbodig bewijsaanbod uit proceseconomische gronden terzijde worden gesteld, evenals bewijsaanbiedingen die betrekking hebben op feiten van algemene bekendheid.’10 Opmerking verdient anderzijds dat een uitvloeisel van de gelijkheid der wapenen is dat de rechter een bewijsaanbod niet mag passeren op grond van een prognose omtrent het te verwachten resultaat van de bewijslevering. Het is evenwel aan de lidstaten zelf overgelaten te bepalen welke middelen tot bewijs zijn toegelaten.11 Ten slotte, art. 6 EVRM verzet zich er niet tegen dat de verzoekschriftprocedure beperkt blijft tot één schriftelijke ronde12, noch dat twee feitelijke instanties ontbreken.13
193. De Hoge Raad oordeelt in reactie op de in het vorige tekstnummer weergegeven klachten dat de procedures ex art. 2: 355 en art. 2: 354 BW voldoen aan de eisen van een behoorlijke rechtspleging en aan art. 6 EVRM. Hij overweegt in de eerste plaats dat het enquêteverzoek de rechtspersoon betreft en niet de individuele bestuurder of commissaris, hetgeen inhoudt dat verzoekers terecht niet zijn betrokken in de procedure waarin het enquêteverzoek is toegewezen (rechtsoverweging 4.4.1). Ons hoogste rechtscollege overweegt verder dat hoewel de onderscheiden verzoeken in beide genoemde procedures – waarin de burgerlijke rechten en verplichtingen van de betrokken bestuurders en commissarissen in het geding zijn – blijkens de wettekst slechts kunnen worden toegewezen indien uit het verslag van wanbeleid respectievelijk van verantwoordelijkheid voor een onjuist beleid is gebleken, hieruit niet mag worden afgeleid dat het verzochte direct kan worden toegewezen indien in het onderzoeksverslag tot wanbeleid dan wel tot verantwoordelijkheid daarvoor in het verslag is geconcludeerd: ‘Het is (...) aan de Ondernemingskamer om uit te maken of inderdaad sprake is geweest van wanbeleid, waarbij de Ondernemingskamer niet aan het oordeel van de onderzoeker is gebonden. Op de procedures voorzien in de artt. 2: 354 en 2: 355 BW zijn voorts de bepalingen van de gewone verzoekschriftprocedure zoveel mogelijk van toepassing, hetgeen meebrengt dat de individuele bestuurders en commissarissen op wie de verzoeken gericht zijn, in die procedures betrokken moeten worden.’ (rechtsoverweging 4.4.2). Verzoekers tot cassatie hebben vervolgens het EHRM verzocht zich uit te spreken over hun op art. 6 EVRM gebaseerde klachten (1) dat zij niet zijn betrokken in de procedure waarin het enquêteverzoek is toegewezen en evenmin in de fase waarin het onderzoeksverslag tot stand is gebracht, en (2) dat de gang van zaken ten opzichte van hen dan ook unfair was. Het EHRM overweegt dat de commissarissen in de fase tot aan het moment dat het onderzoeksverslag ter griffie van de Ondernemingskamer is gedeponeerd, geen beroep toekomt op art 6 EVRM omdat hun burgerlijke rechten en verplichtingen nog niet worden vastgesteld.14 Het EHRM vervolgt: ‘The position changed when the trustees in the company’s bankruptcy sought an order for a number of named individuals, including the applicants, to be held severally liable for the substantial cost of the report. From then on the proceedings determined the applicants’ “civil rights and obligations”. The applicants were in fact called upon to participate in the proceedings from this point onwards. They were in a position to submit argument and evidence of their own to challenge the information in the report, as in fact they did. It follows that no violation of Article 6 § 1 of the Convention is apparent from the applicants’ first and second complaints, which must therefore be rejected as being manifestly ill-founded.’