Einde inhoudsopgave
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/3.6.2.1
3.6.2.1 Legaliteitsbeginsel en privacybescherming
Dr. B.M. van der Sar, datum 05-05-2021
- Datum
05-05-2021
- Auteur
Dr. B.M. van der Sar
- JCDI
JCDI:ADS285677:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Invordering / Inlichtingenverplichting
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Voetnoten
Voetnoten
Zie: Informatieverstrekking door de fiscus (Registratiekamer 1999). De Registratiekamer werd in 2001 het College bescherming persoonsgegevens en vanaf 2016 de Autoriteit Persoonsgegevens.
Informatieverstrekking door de fiscus (Registratiekamer 1999), blz. 7.
Informatieverstrekking door de fiscus (Registratiekamer 1999), blz. 19.
Informatieverstrekking door de fiscus (Registratiekamer 1999), blz. 40.
Informatieverstrekking door de fiscus (Registratiekamer 1999), blz. 40. Bij al deze aandachtspunten speelden de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Deze aanwijzingen zijn overgenomen in de memorie van toelichting (MvT, Kamerstukken II 2005/06, 30 322, nr. 3, blz. 13).
In het rapport Informatieverstrekking door de fiscus (1999) werd door de toenmalige privacytoezichthouder, de Registratiekamer, geconstateerd dat er geen adequate wettelijke grondslag was voor de verstrekking van persoonsgegevens door de Belastingdienst.1 De Registratiekamer merkte op dat belastingplichtigen erop moesten kunnen vertrouwen dat aan de Belastingdienst verstrekte gegevens niet voor een ander doel zouden worden gebruikt dan voor de uitvoering van de belastingwetgeving; het werk van de Belastingdienst zou ernstig worden bemoeilijkt ingeval belastingplichtigen, uit vrees voor verstrekking aan derden, informatie zouden achterhouden.2 De rechtsontwikkeling had volgens de Registratiekamer ervoor gezorgd dat ontheffing van de geheimhouding niet meer voldoende was om verstrekkingen mogelijk te maken. Het legaliteitsbeginsel vereiste daarvoor een verstrekkingsgrond of -bevoegdheid.3 Daarnaast was de bescherming van de persoonlijke levenssfeer een klassiek grondrecht en kon, met het uitwisselen van gegevens door de Belastingdienst, de bescherming daarvan in het geding komen.4 De Registratiekamer concludeerde dat het ontheffingenstelsel van het VIV 1993 in het licht van de privacywetgeving en het legaliteitsbeginsel niet meer houdbaar was.5 Daarnaast adviseerde de Registratiekamer de regeling te wijzigen en gaf, in het licht van de privacybescherming, een aantal aanwijzingen mee:6
de wet moest voldoende specifiek zijn;
de wetgever diende in te gaan op de noodzaak van gegevensverstrekking in verband met bepaalde maatschappelijke belangen;
de rol van de Belastingdienst moest duidelijk zijn in het kader van de vereiste verwantschap in taken en verantwoordelijkheden;
minimaal op hoofdlijnen diende een invulling gegeven te worden aan het gegevensverkeer;
zoveel mogelijk openheid moest worden betracht ten aanzien van de verstrekkingen.