Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid voor ongeschikte medische hulpzaken (R&P nr. CA19) 2018/4.5.6.1
4.5.6.1 Uitspraken
mr. J.T. Hiemstra, datum 01-07-2018
- Datum
01-07-2018
- Auteur
mr. J.T. Hiemstra
- JCDI
JCDI:ADS368744:1
- Vakgebied(en)
Gezondheidsrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Dit zijn uitspraken die in de literatuur naar voren zijn gekomen en/of op rechtspraak.nl zijn weergegeven (zoektermen: hulpzaak, hulpzaken & 6:77 BW).
Kantongerecht Apeldoorn 22 februari (tussenvonnis) en 5 september 1984, Prg. 1984, 2190.
Kantongerecht Apeldoorn 22 februari (tussenvonnis) en 5 september 1984, Prg. 1984, 2190.
Rechtbank Amsterdam 11 april 1990, ECLI:NL:RBAMS:1990:AJ5798.
Rechtbank Arnhem 10 mei 1990, NJ 1992, 759.
Rechtbank Arnhem 10 mei 1990, NJ 1992, 759, r.o. 4.
HR 28 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2511, NJ 1998, 168 (Smits/Royal Nederland).
HR 28 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2511, NJ 1998, 168 (Smits/Royal Nederland), r.o. 3.3.- 3.4.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 20 april 1998, NJ 1999, 34.
Of de bestaande veiligheidsmaatregelen waren getroffen met instemming van de Arbeidsinspectie doet volgens het hof niet ter zake, aangezien zulks niet afdoet aan de eigen verantwoordelijkheid van het SMB (wederpartij van gelaedeerde); Hof ’s-Hertogenbosch 20 april 1998, NJ 1999, 34, r.o. 7.8.1.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 20 april 1998, NJ 1999, 34, r.o. 7.8.1 en 7.11.
Gerechtshof ’s-Gravenhage 6 oktober 2009, ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ9742.
Gerechtshof ’s-Gravenhage 6 oktober 2009, ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ9742, r.o. 23.
Rechtbank Utrecht 6 juni 2012, ECLI:NL:RBUTR:2012:BX0533, r.o. 4.13-4.15.
Rechtbank Utrecht 6 juni 2012, ECLI:NL:RBUTR:2012:BX0533, r.o. 4.14.
Rechtbank Utrecht 25 juli 2012, ECLI:NL:RBUTR:2012:BX3544.
Rechtbank Utrecht 25 juli 2012, ECLI:NL:RBUTR:2012:BX3544, r.o. 4.27.
Rechtbank Utrecht 25 juli 2012, ECLI:NL:RBUTR:2012:BX3544, r.o. 4.28.
Rechtbank Utrecht 25 juli 2012, ECLI:NL:RBUTR:2012:BX3544, r.o. 4.39-4.42.
Rechtbank Utrecht 25 juli 2012, ECLI:NL:RBUTR:2012:BX3544, r.o. 4.43.
Gerechtshof Leeuwarden 25 september 2012, ECLI:NL:GHLEE:2012:BX9123.
Gerechtshof Leeuwarden 25 september 2012, ECLI:NL:GHLEE:2012:BX9123, r.o. 1.5.
Gerechtshof Leeuwarden 25 september 2012, ECLI:NL:GHLEE:2012:BX9123, r.o. 34.
Gerechtshof Leeuwarden 25 september 2012, ECLI:NL:GHLEE:2012:BX9123, r.o. 34. Het hof kwam tot een 50-50 verdeling van de aansprakelijkheid, daar het hof van mening was dat de stroomonderbreking ten gevolge van de graafwerkzaamheden van de provincie en het gebrek aan de pomp “in gelijke mate hebben bijgedragen aan het ontstaan van de schade.” (r.o. 36).
Rechtbank Midden-Nederland 12 november 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:5643.
Rechtbank Utrecht 25 juli 2012, ECLI:NL:RBUTR:2012:BX3544.
Rechtbank Midden-Nederland 12 november 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:5643, r.o. 4.38.
Rechtbank Noord-Holland 5 april 2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:4193.
Rechtbank Noord-Holland 5 april 2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:4193, r.o. 5.13.
Rechtbank Noord-Holland 5 april 2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:4193, r.o. 5.15.
Rechtbank Limburg 31 mei 2017, ECLI:NL:RBLIM:2017:4985.
Rechtbank Limburg 31 mei 2017, ECLI:NL:RBLIM:2017:4985, r.o. 4.9.
In deze paragraaf zullen de uitspraken die zijn gewezen in het kader van de aansprakelijkheid voor hulpzaken in het algemeen chronologisch worden weergegeven.1 Aan het einde van deze paragraaf volgt een tussenconclusie.
1. Voor de invoering van het NBW, na het Vliegtuigvleugel- en Polyclens-arrest, hanteerde de Kantonrechter Apeldoorn in 1984 een strikte risicoaansprakelijkheid bij de beoordeling van de aansprakelijkheid van de reparateur van een wasmachine.2 De kern van het geschil betrof de vraag of de reparateur wanprestatie had gepleegd bij de uitvoering van de overeenkomst tot reparatie van een wasmachine vanwege het plaatsen van een ondeugdelijk onderdeel tijdens die reparatie. De reparateur beriep zich op overmacht, aangezien het onderdeel ondeugdelijk was ten gevolge van een constructiefout waarvoor de reparateur geen verwijt trof. De Kantonrechter oordeelde:3
“Het feit dat een derde wellicht een ondeugdelijk onderdeel heeft geleverd ontheft [de reparateur] Ultra Service niet van haar verplichting jegens [de wederpartij] Pasman-Spijker. De leverancier van bedoeld onderdeel pleegt immers in het door Ultra Service gestelde geval geen wanprestatie jegens Pasman-Spijker doch jegens Ultra Service zelf. Het beroep op overmacht door Ultra Service faalt, aangezien een reparateur moet instaan voor de deugdelijkheid van de door hem gebruikte materialen. De tekortkoming dient dan ook geheel voor rekening van Ultra Service te komen”.
2. In 1990 moest de Rechtbank Amsterdam oordelen over de aansprakelijkheid van reisorganisatie Neckermann.4 De gelaedeerde had via een reisbureau bij Neckermann een vakantie geboekt naar een hotel in Tunesië, alwaar zij haar duim had bezeerd door een gebrekkige ligstoel. De rechtbank oordeelde dat de tekortkoming die is ontstaan door het gebruik van een ongeschikte hulpzaak aan het hotel kon worden toegerekend. Aangezien het hotel aangemerkt werd als een persoon van wier hulp Neckermann gebruik had gemaakt bij de uitvoering van de overeenkomst, was Neckermann voor de ontstane tekortkoming (op grond van artikel 6:76 BW) aansprakelijk.
3. Tevens in 1990 werd de Rechtbank Arnhem geconfronteerd met de vraag of een waterleidingmaatschappij aansprakelijk was voor een breuk in de door dit bedrijf aangelegde waterleiding.5 De rechtbank oordeelde dat deze breuk voor risico van het waterleidingbedrijf kwam en als schuld van het bedrijf moest worden aangemerkt, omdat het bedrijf zich van dit materiaal heeft bediend. Ook de omstandigheid dat de oorzaak mogelijk schuilging in een niet waarneembare fabricagefout kwam voor risico van het waterleidingbedrijf.6
4. In een uitspraak uit 1997 diende de Hoge Raad te oordelen over de aansprakelijkheid van een koel- en diepvriesbedrijf voor het verloren gaan van een in dat bedrijf opgeslagen partij kaaspoeder van de schuldeiser door het niet behoorlijk functioneren van de koelruimte door een fout van een door het koelbedrijf ingehuurde installateur.7 De Hoge Raad oordeelde dat de overweging van het hof, dat het koelbedrijf zich er niet op kan beroepen dat zij voldoende zorg in acht heeft genomen in de zin van artikel 7:602 BW, nu het gebrek in de koelinstallatie voor haar rekening komt op grond van artikel 6:77 BW, niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.8 Het koelbedrijf kon zich jegens de bewaargever niet verschuilen achter de fout van een ingehuurde installateur, omdat het bedrijf als gebruiker van de koelruimtes bij de uitvoering van de bewaarnemingsovereenkomst zorg diende te dragen voor behoorlijk functionerende koelruimtes.
5. In 1999 diende het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch te oordelen over de geschiktheid van een vuilstortplaats.9 Deze stortplaats bestond uit een stortbordes en een stortgoot van 4 meter diep, waartussen een opstaande rand was aangebracht van 30 centimeter hoog en 30 centimeter breed. Indien een ‘storter’ een overeenkomst sloot met de stortplaats en over wilde gaan tot het storten van afval, dan moest hij de stortgoot dicht naderen. Op de voornoemde afscheiding van 30 centimeter breed en hoog was geen hek of reling geplaatst. De schuldeiser was tijdens het storten in de goot gevallen en had daarbij letsel opgelopen. Het hof oordeelde, in overeenstemming met hetgeen de rechtbank eerder had geoordeeld, dat het uitgangspunt moet zijn dat er bij het stortbordes een mogelijkheid bestaat tot een val van 4 meter en dat dit gevaar eenvoudig opgevangen had kunnen worden door het aanbrengen van eenvoudige bouwkundige voorzieningen.10 Doordat deze voorzieningen niet waren getroffen, voldeed het stortbordes volgens het hof niet aan de daaraan in de gegeven omstandigheden te stellen eisen en was de schuldenaar aansprakelijk op grond van artikel 6:74 jo. 6:77 BW.11 Opmerking verdient dat dit een van de weinige uitspraken is waarbij artikel 6:77 BW wordt toegepast op een (ongeschikte) onroerende zaak.
6. In een zaak bij het Gerechtshof ’s-Gravenhage uit 2009 heeft het hof zich uitgesproken over de geschiktheid van een hoogspanningsinstallatie en de kwalificatie daarvan als een hulpzaak in de zin van artikel 6:77 BW.12 Een brand in een transformatiestation als gevolg van een defect of storing in de bij het transporteren en/of transformeren van elektriciteit gebruikte hoogspanningsinstallatie diende volgens het hof tot aansprakelijkheid van de gebruiker van die hoogspanningsinstallatie te leiden op grond van artikel 6:77 BW.13
7. In een uitspraak van de Rechtbank Utrecht oordeelde de rechtbank dat een locomotief met een brandstoftank die bij een breuk van ÉÉn of meer peilglazen gedeeltelijk of volledig leeg kan lopen, aangemerkt dient te worden als een ongeschikte hulpzaak in de zin van artikel 6:77 BW.14 Ook in geval van incidentele ongeschiktheid van een zaak die in zijn algemeenheid wel geschikt is, kan een hulpzaak volgens de rechtbank als ongeschikt worden aangemerkt in de zin van artikel 6:77 BW.15 In geval van een dergelijke incidentele ongeschiktheid kan slechts de tenzij-clausule van artikel 6:77 BW aan aansprakelijkheid in de weg staan. Deze clausule stond in de onderhavige zaak volgens de rechtbank niet in de weg aan aansprakelijkheid van de schuldenaar, DB Schenker, aangezien de toerekening van het falen van de hulpzaak aan de schuldenaar niet onredelijk wordt geacht. Dit omdat ‘niet kan worden uitgesloten dat de oorzaak van het leeglopen van de brandstoftank gelegen is in een omstandigheid die in de risicosfeer van de schuldenaar gelegen is, het optreden van steenslag als oorzaak daarvan niet als onvoorzienbaar kan worden aangemerkt en de schuldenaar voor schade als de onderhavige verzekerd is’.
8. Ruim een maand later ging het bij de Rechtbank Utrecht opnieuw over schade ontstaan op het spoor.16 Centraal stond de vraag of de schuldenaar aansprakelijk is voor schade ontstaan door een ontspoorde wagon. De rechtbank oordeelde dat gebruik is gemaakt van een ongeschikte hulpzaak omdat aan een treinwagon de eis gesteld mag worden dat de lagers daarvan bij normaal gebruik goed functioneren en niet, zoals in het onderhavige geval, dermate warm worden dat dit leidt tot een breuk in de verbinding tussen het wielstel en het rijtuig waardoor de wagon ontspoort.17 De tekortkoming die hierdoor is ontstaan, diende volgens de rechtbank aan de gedaagde worden toegerekend op grond van artikel 6:77 BW. Dat het hier volgens gedaagde gaat om een in zijn algemeenheid geschikte zaak die slechts incidenteel gefaald heeft, achtte de rechtbank niet relevant. Met een verwijzing naar de parlementaire geschiedenis oordeelde de rechtbank dat ook incidentele ongeschiktheid van een zaak tot ongeschiktheid in de zin van artikel 6:77 BW leidt.18 Een beroep op de tenzij-formule mocht de gedaagde evenmin baten. Gedaagde had zich ter motivering van dit beroep op het standpunt gesteld dat de precieze oorzaak van de ontsporing geen verband hield met omstandigheden die zich in haar invloedssfeer bevonden. De rechtbank oordeelde dat dit in het kader van artikel 6:77 BW niet relevant is omdat dit artikel ‘nu eenmaal meebrengt dat ook buiten de invloedssfeer van de schuldenaar gelegen oorzaken voor zijn risico komen, behoudens voor zover sprake is van buiten komend onheil of een oorzaak die te wijten is aan de schuldeiser’. Van dit laatste was volgens de rechtbank in de onderhavige zaak geen sprake. De gedaagde had daarnaast aangevoerd dat het om een niet voor deskundige gebruikers te onderkennen gebrek ging. Dit wees de rechtbank af omdat het warmlopen van lagers een bekend probleem was en gedaagde na een eerder voorval had nagelaten ‘om te doen wat mogelijk is om ontsporingen door een gebrek in de lagers te voorkomen en eventuele schade te beperken’.19 Hierdoor achtte de rechtbank toerekening niet onredelijk. Daar kwam bij dat het eerder op de weg van de gedaagde dan op de weg van de eiser lag om zich voor de onderhavige schade te verzekeren en de gedaagde in casu ook tegen de schade verzekerd was.20 Ook om die reden was toerekening op grond van de hoofdregel van artikel 6:77 BW volgens de rechtbank niet onredelijk.
9. In 2012 moest het Gerechtshof Leeuwarden oordelen over de geschiktheid van een pomp die de systemen in een viskwekerij voorzag van zuurstofrijk water.21 Ten gevolge van een stroomstoring, door graafwerkzaamheden van de provincie Friesland, viel de pomp uit en kon deze niet opnieuw worden gestart omdat deze bleek te zijn vastgeslagen. De normaliter aanwezige reservepomp was op dat moment niet aanwezig om het over te nemen van de defecte pomp. Reeds voor deze stroomstoring was in een onderzoeksrapport naar voren gekomen dat de pomp in de viskweekinstallatie vervangen diende te worden.22 Naar het oordeel van het hof was ‘de pomp, en daarmee de installatie waarvan deze deel uitmaakte, mede vanwege de (tijdelijke) afwezigheid van een reservepomp, op het moment van de stroomuitval ongeschikt voor het doel waartoe deze werd gebruikt en daarmee gebrekkig’.23 Deze tekortkoming kon volgens het hof aan de gebruiker van de pomp en de installatie worden toegerekend op grond van artikel 6:77 BW.24
10. In 2014 stond bij de Rechtbank Midden-Nederland (wederom) de vraag naar de aansprakelijkheid voor schade ontstaan door een ontspoorde wagon centraal.25 De gedaagde had aangevoerd dat aan de toepassing van artikel 6:77 BW niet kon worden toegekomen omdat dit type wagon internationaal was goedgekeurd en derhalve in zijn algemeenheid geschikt was. De rechtbank wees dit betoog af met een verwijzing naar het eerder beschreven vonnis van de rechtbank Utrecht, waarin werd geoordeeld dat ook incidentele ongeschiktheid leidt tot ongeschiktheid in de zin van artikel 6:77 BW.26 Een beroep op de tenzij-formule achtte de rechtbank in de onderhavige zaak evenmin succesvol, aangezien het gevaar voor metaalopstuwing – hetgeen de wagon ongeschikt maakte – een bekend verschijnsel was. Derhalve kon de rechtbank de gedaagde niet volgen in haar standpunt dat het om een zodanig zeldzaam fenomeen ging dat toerekening onredelijk zou zijn. Daarnaast achtte de rechtbank in het kader van de redelijkheid van toerekening relevant dat de gedaagde een professionele partij was ‘waarvan mag worden verwacht dat zij – zeker indien haar bedrijfsvoering bijzondere gevaren meebrengt, zoals in casu – een verzekering afsluit ter dekking van de gevolgen van haar bedrijfsvoering voor derden.27
11. In 2017 stond bij de rechtbank Noord-Holland de aansprakelijkheid van een opdrachtnemer voor een door hem bij de uitvoering van schilder- en stallingswerzaamheden gebruikte hijskraan centraal.28 Ten gevolge van het bezwijken van de kabel van de hijskraan, was het jacht van de opdrachtgever gevallen en beschadigd geraakt. De rechtbank oordeelde dat er sprake was van een tekortkoming van de opdrachtnemer doordat deze niet in staat was het jacht in dezelfde staat terug te geven. Deze tekortkoming is veroorzaakt door het gebruik van een ongeschikte hulpzaak in de zin van artikel 6:77 BW.29 Aan een hijskraan mag de eis gesteld worden dat de kabels daarvan bij normaal gebruik goed functioneren. Nu dat niet het geval was, kon volgens de rechtbank gesproken worden van een ongeschikte hulpzaak. De tekortkoming die hierdoor is ontstaan, diende aan de opdrachtnemer worden toegerekend. Met de stelling van de opdrachtnemer dat toerekening niet redelijk zou zijn omdat de zaakschade door de opdrachtnemer niet hoefde te worden voorzien en zij daaraan geen schuld had omdat zij de kraan had laten keuren en niet had hoeven te weten dat de kabels ondeugdelijk waren, was de rechtbank het niet eens. De rechtbank overwoog: ‘artikel 6:77 BW [brengt] nu eenmaal mee dat ook buiten de invloedssfeer van de schuldenaar gelegen oorzaken voor zijn risico komen, behoudens voor zover sprake is van een situatie waarop de eerder vermelde tenzij-clausule van toepassing is’.30 Van een dergelijke situatie was volgens de rechtbank geen sprake, omdat de schade was ontstaan tijdens werkzaamheden die in het kader van de uitvoering van de opdracht noodzakelijk waren. Het daaruit voortvloeiende nadeel diende voor rekening van de opdrachtnemer te komen, aldus de rechtbank. De omstandigheid dat de opdrachtgever voor de onderhavige schade verzekerd was, maakte toerekening evenmin onredelijk, omdat de opdrachtnemer dat zelf ook was.
12. Eveneens in 2017 kwam bij de rechtbank Limburg de aansprakelijkheid voor schade ontstaan door het gebruik van ongeschikte lijm bij het bouwen van straatmeubilair aan bod.31 Doordat de schuldeiser de kosten wilde drukken, had hij zelf extra personeel aan de schuldenaar geleverd. Daardoor moest een andere soort lijm gebruikt worden dan de schuldenaar normaliter gebruikte, omdat het door de schuldeiser geleverde ongeschoolde personeel niet met de lijm kon werken die de schuldenaar normaliter gebruikte. Door de inzet van ongeschoold personeel en het verzoek om andersoortige lijm te gebruiken, heeft de schuldeiser volgens de rechtbank de keuzevrijheid van de schuldenaar beperkt.32 Door de gedragingen van de schuldeiser was de schuldenaar overgestapt op de (uiteindelijk) ongeschikte lijmsoort. Deze situatie was volgens de rechtbank gelijk te stellen met de situatie waarin de opdrachtgever ‘voorschrijft een bepaald – naar later blijkt naar zijn aard (functioneel) ongeschikt – materiaal te gebruiken’. De gevolgen van de door de opdrachtgever ‘voorgeschreven’ ongeschikte lijm, dienden voor zijn rekening te komen, aldus de rechtbank. De rechtbank liet in het midden of het hier om een overeenkomst van opdracht of aanneming van werk ging en oordeelde dat toerekening aan de schuldenaar in beide gevallen onredelijk zou zijn; in het eerste geval op grond van de tenzij-formule van artikel 6:77 BW en in het tweede geval op grond van artikel 7:760 lid 3 BW.